Besparingen sectorconvenants “Sommige sectoren overwegen om gewoon niet meer mee te doen.”

Auteur: de expertreflex -  8 december 2025  - Sectorconvenants
Image
expertenreflex-sectorconvenants

Sectorconvenants: budgetten die 75% Vlaamse werknemers helpen leren, werken en doorgroeien worden gehalveerd.

Interview met Sarah Lambrecht, adviseur studiedienst Vlaams ABVV

Wie in Vlaanderen werkt of een opleiding volgt, komt er vroeg of laat mee in aanraking, maar weet het niet altijd: sectorconvenants. Dat zijn afspraken tussen de Vlaamse regering en sectoren over heel concrete zaken op de werkvloer. 

Hoe instroom wordt georganiseerd. Hoe stages en duaal leren lopen. Welke opleidingen je krijgt. Hoe bedrijven mensen begeleiden. Hoe discriminatie wordt aangepakt. Hoe werk draaglijk blijft. 

De sectorconvenants helpen sectoren om werknemers in de sector te ondersteunen. Ze bereiken 75% van de werknemers in Vlaanderen. 

De Vlaamse regering verlengde de huidige convenants met een jaar, tot juni 2026, maar wil ze tegelijk grondig hervormen. Wij spraken erover met Sarah Lambrecht, adviseur bij het Vlaams ABVV, over wat er op tafel ligt — en waarom veel sectoren met vragen zitten.

Veel mensen weten niet wat sectorconvenants precies zijn. Hoe leg jij dat uit?

“Een sectorconvenant omvat een reeks afspraken die de sector met de Vlaamse regering maakt over hoe een sector zijn mensen laat instromen, laat groeien via opleiding en helpt aan de slag te blijven door bijvoorbeeld werkdruk aan te pakken. En dat niet in theorie, maar in dagelijkse praktijk. Omscholing, duaal leren, stages, werkbaar werk, acties rond discriminatie… dat zit allemaal in zo’n convenant. Werk je in de zorg, in de bouw, in techniek of in de social profit: het convenant bepaalt mee de mogelijkheden die je krijgt in de sector.”

De regering wil dat nu anders organiseren. Wat verandert er?

“Elke twee jaar worden een nieuwe convenants afgesloten. De huidige convenants werden met een half jaar verlengd, zodat de minister tijd had om haar nieuwe visie op het instrument uit te werken. Tijdens die verlenging werd er al met tactische en operationele doelstellingen gewerkt. Sectoren krijgen per decretaal thema een keuzemenu aan tactische doelen dat ze moeten omzetten in operationele doelstellingen.”

En daar koppelen ze inspanningsverbintenissen én meer resultaatsverbintenissen aan?

“Juist. Tijdens de verlenging ging de resultaatsfinanciering ook al omhoog: van 30% naar 40%. Naar volgend jaar toe moet dat nog hoger worden nl. 70%. De regering wil uiteindelijk evolueren naar 100% resultaatsfinanciering. In de praktijk voelen sectoren dat als een sterke vorm van sturing.”

“Maar nog belangrijker: terwijl Minister Demir meer engagement en meer resultaten vraagt van de sectoren, halveert ze tegelijk het budget. Daar waar er vroeger zo’n 23 miljoen euro voorzien was, zal dat nu nog maar 12 miljoen euro zijn. Kleinere sectoren gaan dat iets minder voelen door de wijze waarop de middelen verdeeld worden, maar bij de grote komt dat keihard binnen.”

Wat betekent dat op de vloer?

“Minder mensen om opleidingstrajecten te begeleiden, bedrijven te ondersteunen, discriminatie aan te pakken, werkbaar-werkprojecten uit te rollen. Terwijl er tegelijk méér wordt verwacht. Dat klopt niet. En het gaat ook contra-productief werken. Als sectoren zich terugtrekken, zal ook de invloed van het beleid op de werkvloer afnemen.”

Sectoren twijfelen of ze überhaupt moeten instappen. Hoe zit dat?

“Omdat de keuze eigenlijk geen keuze is, het is meer een soort valstrik. Als sectoren niet instappen maar wel taken blijven opnemen rond de decretale thema’s, dan zal de minister zeggen dat ze ‘bewijzen’ dat ze die financiering niet nodig hebben.”

“Maar als ze wél instappen, moeten ze akkoord gaan met strengere resultaatsverbintenissen, minder autonomie en minder mensen op het terrein. Sectoren moeten tegen 17 december beslissen. Dat is een korte termijn, zeker voor sectoren die federaal georganiseerd zijn.”

Hoezo?

“Wel, sectoren zijn doorgaans federaal georganiseerd, want de meeste bedrijven stoppen niet aan de taalgrens, maar krijgen via de convenants wel Vlaamse opdrachten. Dat strookt niet altijd met wat er in de andere regio’s gebeurt en vergt wel wat afstemming en overleg. Maar ook los van die moeilijkheid: niet elke sector weet vandaag hoe de financiering eruit zal zien. Ook dat speelt mee. Hoeveel geld moet de sector zelf bijpassen?”

Er blijft dus nog veel onduidelijk?

“Ja. Bijvoorbeeld: de minister wil dat er in de sectoren extra aandacht gaat naar vier ondervertegenwoordigde groepen: vrouwen met migratieachtergrond, langdurig zieken, 55+ers en jongeren die hun beroepsinschakelingsuitkering verliezen. Maar het is niet duidelijk hoe sectoren de ondervertegenwoordigde groepen moeten bereiken en hoe dat wordt gemeten? Verder zijn er heel wat vragen over de praktijktesten: wie zal die uitvoeren, hoe worden ze gefinancierd? En: hoe wordt er nadien over gecommuniceerd? Dat zijn geen technische details. Dat bepaalt of je discriminatie effectief bestrijdt of alleen registreert.”

Het klinkt alsof sectoren zich wat in het nauw geduwd voelen.

“Sectoren nemen al jaren verantwoordelijkheid. En ze willen daarbij ook afspraken maken met Vlaanderen over de prioriteiten. Alleen is het kader erg strak geworden en zien sectoren nog weinig ruimte om de acties zelf in te vullen op maat van hun sector en om hun aanpak te kiezen. Sectorconvenants zijn ooit gebouwd als partnerschap. Nu schuiven ze op naar een instrument waarmee de overheid meer wil sturen in ruil voor minder middelen. Dat is niet meer evenwichtig.”

Waar zit volgens jou het risico?

“Dat sectoren vooral gaan doen wat meetbaar is en niet wat nodig is. Dan maak je het systeem blind voor echte problemen: werkdruk, opleidingstekorten, discriminatie die niet in een vakje past. We mogen niet belanden in een logica waar je met minder consulenten méér moet bewijzen, terwijl de uitdagingen juist toenemen. En het andere risico is dat sectoren gewoon niet meer gaan meedoen. Ze zullen dan uiteraard wel zaken blijven organiseren met eigen middelen, maar van enige sturing vanuit wat de Vlaamse regering belangrijk vindt is er dan geen sprake meer. Dat kan toch ook niet de bedoeling zijn.”

Wat verwacht je van de komende onderhandelingen?

“Voor ons is het simpel: een convenant moet samenwerking blijven, geen keurslijf. Resultaten zijn belangrijk, maar men moet niet alles proberen vastleggen op voorhand. Sectoren hebben hun eigenheid, en dus ook nood aan bewegings- en experimenteerruimte. Sectoren hebben mensen en middelen nodig om hun werk te doen. En wat er rond opleiding, werkbaarheid en inclusie gebeurt, mag nooit verworden tot een afvinklijst.”

Belangrijke materie dus.

“Ja. Dit gaat over mensen. Over jongeren die een stageplek zoeken. Over werkzoekenden die willen omscholen. Over werknemers die werkdruk voelen. Over mensen die uitgesloten worden. Sectorconvenants moeten dat versterken, niet verengen. Dat is de inzet. En dat zullen we verdedigen.”