Wie zorgt er voor de zorg?

Auteur: ayoubi benali -  17 april 2026  - Zorg
Image
privatisering zorgsector

Als zorg en welzijn winst moeten maken

Woonzorgcentra, kinderopvang, thuiszorg: stuk voor stuk sectoren die gebouwd zijn op solidariteit en publieke investeringen, maar vandaag steeds vaker het terrein van internationale investeringsgroepen. Volgens Ayoubi Benali wordt de rekening niet betaald door de aandeelhouder, maar door de bewoner, de medewerker en uiteindelijk door ons als collectief.

De commercialisering en privatisering zijn niet meer weg te denken uit de Vlaamse zorg- en welzijnssector. Vooral de residentiële ouderenzorg kende de afgelopen jaren een sterke opgang van commerciële spelers, vaak grote internationale en beurgenoteerde (investerings)groepen zoals Korian en Emeis. 

Een rapport van het Rekenhof uit 2024 over de Vlaamse woonzorgcentra toont die commercialisering heel goed aan: In 2013 was 23,6% van de wzc in commerciële handen, wat overeenstemt met 12.790 erkende wooneenheden. Amper 10 jaar later was dat al 37,2% van de wzc. Dat is goed voor 27.991 erkende wooneenheden.

woonzorgcentra

Op tien jaar tijd is het woonzorglandschap sterk veranderd. Ondertussen rijpen de geesten binnen de politiek en administratie om deze sterke opgang te beteugelen. In het Vlaams Regeerakkoord en de beleidsnota welzijn 2024-2029 werden tal van initiatieven aangekondigd die de trend moeten tegenhouden of althans de controle fors moeten opvoeren. Denk aan de invoering van een sectorspecifieke transparante boekhouding, decretale verankering van het principe ‘verbod op winst’ of meer slagkracht voor de zorginspectie. Deze beleidsinitiatieven komen niets te vroeg en maken hopelijk een verschil. Maar we zijn er nog lang niet. 

Ondertussen worden andere zorg- en welzijnssectoren, denk aan de thuiszorg en de (buitenschoolse) kinderopvang, geconfronteerd of bedreigd met privatisering en/of commercialisering, en blijven (financiële) wantoestanden in de Vlaamse woonzorgcentra naar boven komen. Voor het Vlaams ABVV is het essentieel dat iedereen toegang heeft tot toegankelijke, betaalbare en kwaliteitsvolle zorg en welzijn. Samen met onze vakcentrales BBTK en ACOD LRB slaan we de handen in elkaar om de commercialisering en privatisering een halt toe te roepen.

Exploitatie

Dat commerciële spelers zich storten op de zorg- en welzijnssectoren mag niet verbazen. De Vlaamse overheid financiert bepaalde zorgorganisaties stabiel, en door de toenemende vergrijzing groeit de vraag naar zorg gestaag. Dat maakt de sector aantrekkelijk voor zowel kleine als grote commerciële spelers. Daar komt nog een vastgoedconstructie bovenop: zorgmultinationals kopen woonzorgcentra op en verhuren die vervolgens aan vzw's tegen hoge huurprijzen, met rendementen tot 6%. Die vzw's — vaak schijnvzw's — organiseren dan de zorgverlening, terwijl de winst wegvloeit naar de commerciële groep. onderzoek van Apache toonde de commerciële exploitatie van woonzorgcentra goed aan. De vorige Vlaamse regering wou gelijkaardige constructies ook mogelijk maken binnen de schoot van de publieke welzijnsverenigingen (bv. Zorgbedrijf Antwerpen), maar die poging is gelukkig stukgelopen op het verzet van vakbonden en andere middenveldorganisaties.

Dat nu ook de (buitenschoolse) kinderopvang in het vizier komt van commerciële spelers heeft te maken met de stabiele instroom aan publieke middelen (in 2026 ongeveer 1,5 miljard euro aan subsidies) én het grote tekort aan plaatsen waardoor pragmatisme vanuit de overheid soms de bovenhand krijgt. Het maakt voor het beleid niet uit wie uiteindelijk de plaatsen uitbaat, belangrijke is dat ze daadwerkelijk worden uitgebaat. De vergelijking met de woonzorgsector gaat hier op, want twintig jaar geleden was er ook in deze sector een groot tekort aan plaatsen waardoor commerciële groepen makkelijker voet aan de grond kregen. In de kinderopvang zal bijvoorbeeld de Franse multinational Babilou de komende jaren 851 extra kinderen opvangen in Vlaanderen en Brussel. 

Babilou is deels in handen van investeringsfondsen en lag recent in Frankrijk onder vuur voor slechte werkomstandigheden en risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de opvang. Of de kinderopvang dezelfde weg opgaat als de woonzorgsector, valt niet met zekerheid te zeggen. Maar dat grote investeringsgroepen op een bepaald moment winst willen zien, ligt voor de hand.  Vroeg of laat zullen bepaalde kosten — personeelsuitgaven, veiligheidsmaatregelen — kritisch worden doorgelicht. 

Gat in de markt?

Commerciële spelers zien een gat in de markt in de zorg- en welzijnssector. Dat zij daar inspringen heeft ook veel te maken met het wegtrekken van andere spelers in de sector. De meest voor de hand liggende spelers zijn de steden en gemeenten, echter onder grote budgettaire druk haken zij meer en meer af. 

In hun manifest ‘niet winst maar wel-zijn’ legt ACOD-LRB de vinger op de wonde: “Steden en gemeenten moeten steeds meer doen met minder middelen, terwijl de vraag naar zorg blijft groeien. Europese en Vlaamse begrotingsregels beperken verder de mogelijkheid om te investeren in publieke infrastructuur.” Privatisering en commercialisering blijken daarbij op korte termijn financiële ademruimte te geven en de begrotingen van steden en gemeenten op te smukken. Maar zoals we verder in deze tekst nog zullen zien, wordt de rekening uiteindelijk betaald door de gebruikers, het personeel en heel de samenleving.

De Vlaamse regering deed de afgelopen jaren onvoldoende om de commercialisering en privatisering in de zorg- en welzijnssector tegen te houden. Onder de noemer van ‘vermaatschappelijking van de zorg’ werden zorgtaken verschoven van het professionele zorgaanbod richting het informele netwerk van vrijwilligers en mantelzorgers. In de praktijk betekende dat minder investeringen in zorg en welzijn én meer ondersteuning van informele zorgprojecten (denk aan de zorgzame buurten). De voorbije Vlaamse regeringen bespaarden zo feitelijk op essentiële zorg- en welzijnsdiensten, en lieten het veld vrij voor commerciële spelers. Huidig Vlaams minister van Welzijn Caroline Gennez tracht de focus opnieuw te leggen op het creëren van voldoende aanbod i.p.v. kortstondige projecten om de informele zorg te stimuleren.

Wie betaalt de rekening?

De gevolgen van die terugtrekkende overheden zijn niet te onderschatten. De woonzorgsector toont hoe privatisering en commercialisering het personeel, de zorgkwaliteit én de betaalbaarheid onder druk zetten. 

Het Rekenhof gaf onlangs een overzicht van de personeelsinzet in de Vlaamse woonzorgcentra. Via de Vlaamse Sociale Bescherming subsidieert de Vlaamse Overheid de verschillende personeelscategorieën (verpleegkundigen, zorgkundigen, reactiveringspersoneel, begeleiders wonen en leven en logistieke medewerkers in de zorg). Het betreft geen volledige berekening (vb: niet-zorgpersoneel ontbreekt) maar het toont wel de trend in de sector. Gemiddeld zet de publieke sector 13,9 VTE per 30 bewoners in, de non-profitsector 13,2 VTE en de profitsector 11,8 VTE. Zelfs als er rekening gehouden wordt met het aantal bewoners, de zorgzwaartegraad en de dagprijs, blijkt dat de publieke en non-profit woonzorgcentra meer personeel inzetten.  Het OCMW treedt in zulke situaties vaak op als laatste reddingsboei en zoekt naar een oplossing voor de getroffen bewoners. De risico’s van privatisering zijn duidelijk. Niets minder dan de continuïteit van de dienstverlening aan de bevolking kan er ernstig door in gedrang komen. Lokale besturen moeten dan de brokken ruimen en extra kosten maken om sociale drama’s te voorkomen.

woonzorgcentra

Alle sectoren voldoen aan de wettelijke personeelsnormen, maar de cijfers maken één ding duidelijk: besparen op personeel is een bewuste strategie van commerciële spelers, zeker bij de internationale groepen. Een beperktere personeelsinzet heeft een rechtstreeks negatief effect op de zorgkwaliteit van een woonzorgcentrum. Minder zorgpersoneel betekent minder tijd en aandacht voor de bewoners, maar betekent daarbovenop een extra druk op het aanwezige personeelsbestand.

Dat vooral commerciële woonzorgcentra kampen met een verminderde zorgkwaliteit is een open deur intrappen. De lijst ‘verhoogd toezicht’ van het Departement Zorg wordt sinds de invoering ervan in 2019 voor de overgrote meerderheid bevolkt door commerciële spelers. Een woonzorgcentrum belandt enkel op die lijst als er aanhoudende of ernstige klachten zich voordoen of als er vragen rijzen over de kwaliteit van zorg.  Begin 2025 stonden er 17 woonzorgcentra op de lijst waarvan er 13 onder de commerciële sector vielen. Ook in de lijst met ingetrokken erkenningen ging het de afgelopen jaren in 4 van de 5 gevallen om commerciële spelers. Recent nog verloor het woonzorgcentrum Vordenstein te Schoten, van de groep Emeis, haar erkenning waardoor 65 personeelsleden hun job verloren en 73 bewoners hun woning moesten verlaten. De drang naar winstmaximalisatie heeft met andere woorden verstrekkende gevolgen voor de bewoners én het personeel.

We zien ook effecten van commercialisering op de betaalbaarheid van woonzorgcentra. De kostprijs van de woonzorgcentra in Vlaanderen is al langer een moeilijk onderwerp in het publieke en politieke debat. De kloof tussen de totale woonzorgkost en het pensioen blijft heel hoog en zelfs met de tussenkomst van de zorgbudgetten wordt het alsmaar moeilijker voor bewoners om de factuur te betalen. Uit de jaarlijkse OKRA-barometer (2025) blijkt de gemiddelde dagprijs zonder supplementen vandaag op 2.294 euro per maand te liggen. De hoogste prijzen zien we bij de commerciële spelers (2.501 euro), gevolgd door de non-profitvoorzieningen (2.242 euro) en de publieke (2.162 euro). De commerciële woonzorgcentra vragen met andere woorden gemiddeld 340 euro per maand meer dan publieke woonzorgcentra. De bedragen zijn nog zonder de eventuele supplementen die woonzorgcentra aanrekenen, denk aan wassen, strijken, kapper, pedicure, enz.

Hoe het tij keren?

Hoe keer je het tij voor gebruikers, personeel en samenleving, en hoe houd je de marktlogica buiten deze essentiële sector? Commerciële spelers hebben inmiddels zo'n groot deel van het aanbod in handen dat een abrupte uitsluiting niet realistisch is. De meest aangewezen strategie is dan ook tweeledig: commerciële spelers aan strikte kwaliteits- en transparantieregels binden, én als lokale en Vlaamse overheid voluit kiezen voor eigen publieke zorgvoorzieningen en de verdere ondersteuning van social-profitorganisaties. Dat doen we door alvast de aangevatte verandertrajecten vanuit de Vlaamse regering, en aangekondigd in het Vlaams regeerakkoord, verder te zetten en eindelijk te laten landen. 

Concreet gaat het om twee samenhangende maatregelen: een transparante boekhouding en een decretaal verankerd winstverbod op gesubsidieerde middelen. Want wie winst wil verbieden, moet eerst weten waar het publieke geld naartoe gaat. De transparante boekhouding brengt de inkomsten en uitgaven van woonzorginstellingen in kaart, en geeft bewoners eindelijk een duidelijke factuur met een opsplitsing tussen woon-, zorg-, leef- en beheerskosten. De realisatie van beide trajecten kan ook zorgen voor een belangrijk precedent in de andere zorgsectoren zoals de kinderopvang of de sector personen met een handicap.

Het tij keren doen we tegelijkertijd door eindelijk werk te maken van een nieuw VIA-akkoord, het zevende ondertussen, en alvast een tijdspad daarvoor vast te leggen. In zo’n Vlaams Intersectoraal Akkoord kunnen er afspraken gemaakt worden dat subsidies niet wegvloeien naar commerciële spelers, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks (consultancy, interim arbeid, vergoedingen aan directies en bestuurders, managementfees, enz.). Maar evengoed kan er vanuit een nieuw VIA-akkoord een financiële boost gegeven worden waardoor het ook voor publieke en social profit spelers interessant blijft om -om verder initiatieven te nemen en extra werknemers aan te nemen in de zorg- en welzijnssectoren.

Tot slot is de beste remedie tegen commercialisering het heft in eigen handen nemen en een performant netwerk van publieke zorg en welzijn uitbouwen. Dat vraagt politieke moed en financiële inzet van steden en gemeenten, maar de maatschappelijke opbrengst is enorm. Publieke woonzorgcentra zijn bijvoorbeeld over het algemeen toegankelijker, goedkoper en kwaliteitsvoller, en daarmee zijn ze een voorbeeld en een geduchte concurrent voor de andere spelers in de sector. Daarbovenop moeten publieke zorginstellingen rekenschap afleggen aan de burgers en hun vertegenwoordigers in de gemeenteraad of andere organen. Dat democratisch principe maakt dat publieke zorginstellingen keuzes maken voor meer zorgkwaliteit in plaats van te streven naar winstmaximalisatie.

De commercialisering van de zorg is een waarschuwing die beleidsmakers ter harte moeten nemen. Waar de marktlogica binnendringt, komen de rechten van gebruikers onder druk, stijgt de werkdruk en daalt de zorgkwaliteit. Zorg en welzijn zijn geen verdienmodel. Nee, het zijn grond- en basisrechten. Zet de mens terug centraal en investeer in toegankelijke, kwaliteitsvolle publieke en social-profitvoorzieningen.