Kyoto in Vlaanderen: ook het Vlaams ABVV krijgt het er warm van!
Standpunt van het Vlaams ABVV over het Vlaams klimaatplan en over de Vlaamse benchmarkingconvenant
24/10/2002 - Het Vlaams ABVV sprak zich uit over het ontwerp van Vlaams klimaatplan en over de benchmarkingconvenant die de Vlaamse overheid wil afsluiten met zo’n 105 Vlaamse bedrijven. In wat volgt vindt u dit standpunt. Telkens geven we ook kort en toelichting bij het punt in kwestie. Wie meer wil weten over het Vlaams klimaatplan en over de convenant, kan terecht op de website van de Vlaamse overheid.
- 1. Vlaams klimaatplan, een nodig luik in het Belgisch klimaatbeleid
- 2. Klimaatbeleid voeren met een goede mix van verschillende instrumenten en op verschillende niveau's
- 3. De rol van flexibele instrumenten
- 4. De benchmarking convenant voor energie-intensieve bedrijven
1. Vlaams klimaatplan, een nodig luik in het Belgisch klimaatbeleid
Situering
België heeft het Kyoto-protocol geratificeerd en zich t.o.v. Europa verbonden 7.5 % reductie van broeikasgassen te realiseren. De bevoegdheden voor het beleid inzake het halen van deze doelstelling (het zgn. klimaatbeleid dus) zijn deels federaal, deels gewestelijk. Derhalve moet het Belgisch klimaatbeleid een coproductie tussen de verschillende overheden zijn. Dit betekent dat de 7.5 %-doelstelling (al dan niet deels) over de gewesten zal worden verdeeld. Het Waalse standpunt terzake is dat de inspanning lineair moet verdeeld worden. De Vlaamse regering – en het klimaatplan - daarentegen stellen dat de verdeling enkel op basis van kostenefficiëntie kan, want een lineaire verdeling is in het nadeel van de Vlaamse industrie.
Intussen verbonden Vlaanderen en Wallonië zich ertoe alvast tegen 2005 hun reducties te stabiliseren tot op het niveau van 1990. Voor Vlaanderen betekent dit een grote stap : bij ongewijzigd beleid zouden de emissies immers in 2005 17 % hoger liggen dan in 1990.
Het voorliggend Vlaams klimaatplan richt zich op het halen van die stabilisatiedoelstelling, die reeds begin 2001 door de Vlaams regering werd goedgekeurd (onder de voorwaarde van een gelijktijdig federaal beleid)
Ons standpunt
· We onderschrijven de noodzaak van het Belgisch klimaatbeleid en het Vlaams klimaatbeleid om in een internationaal perspectief het broeikaseffect te bestrijden. Meer nog, we zijn er ons van bewust dat het Kyoto-protocol slechts een eerste stap is. Er zullen in de toekomst nog veel meer inspanningen nodig zijn om het broeikaseffect de pas af te snijden !
· De klimaatdoelstellingen worden soms onrealistisch genoemd in het licht van de politieke beslissing tot gefaseerde kernuitstap. Sommigen gebruiken Kyoto als alibi om kernuitstap af te schieten, anderen doen het omgekeerde. We zijn ons bewust van de enorme uitdagingen die de beide beslissingen stellen, zeker als ze tegelijk moeten gerealiseerd worden. Ons standpunt over de kernuitstap mag echter in elk geval niet gaan afhangen van het Kyoto-doel. : de klimaatdoelstellingen op zich mogen niet als alibi mogen gebruikt worden om de uitstap af te gelasten.
· We willen niet dat men m.b.t. dit dossier in een communautaire impasse terecht komt. Daarom moet er ten eerste maximaal gebruik gemaakt worden van horizontale instrumenten in het klimaatbeleid die dus gelijk en gelijktijdig op het hele Belgisch grondgebied worden ingezet. De federale overheid moet hierin initiatieven nemen via haar eigen klimaatbevoegdheden (zie ook verder).
· Daarnaast en ten tweede moeten de gewesten hun eigen beleid onderling maximaal harmoniseren. Het zou absurd zijn dat Vlaamse huishoudens fundamenteel verschillende maatregelen opgelegd krijgen dan Waalse huishoudens (bijv. inzake woningisolatie). Het is even onwenselijk dat Vlaamse en Waalse bedrijven onderling concurrentienadeel lijden door te grote verschillen in de klimaataanpak van de verschillende gewestoverheden. Dit vergt dus overleg tussen de gewesten.
· Tenslotte moet het beleid van de federale overheden en van de gewesten op elkaar inspelen en mogen gewestelijke maatregelen geen ondergraving zijn van toekomstig federaal beleid (en omgekeerd). Zie ook verder m.b.t. de benchmarkingconvenant.
2. Klimaatbeleid voeren met een goede mix van verschillende instrumenten en op verschillende niveau's
Situering
Drie types instrumenten worden algemeen genoemd om de klimaatdoelstellingen te realiseren : fiscaliteit (o.m. een CO2-energieheffing), het uitvoeren van investeringen in energie-efficiëntie, en het gebruik van flexibele instrumenten. Energiefiscaliteit is grotendeels federale materie; het Vlaams klimaatplan geeft invulling aan de twee laatste instrumenten.Het plan omvat 33 projecten, verspreid over alle doelgroepen en sectoren die bijdragen aan de emissies in Vlaanderen. De projecten omvatten zowel wetgeving, als overeenkomsten (convenanten) en sensibiliserend werk voor een aanpak van de emissies via het uitvoeren van investeringen in energie-efficiëntie in Vlaanderen zelf. Volgens het Kyoto-protocol mogen landen anderzijds een deel van de inspanningen voor uitstootvermindering in het buitenland realiseren. Ook de toepassing van deze flexibele instrumenten in Vlaanderen wordt in het klimaatplan voorbereid.
Met deze projecten haalt het Vlaams plan slechts een deel (37 %) van zijn eigen doelstelling : de stabilisatie tegen 2005. Deze was echter voorwaardelijk aan bijkomend federaal beleid.
Ons standpunt
· De tussentijdse stabilisatiedoelstelling is alvast voor Vlaanderen vrij ambitieus gezien de korte termijn en trage opstart en doorwerking van maatregelen en instrumenten. Bovendien hangt de realisatie van het doel mee af van wat de federale overheid zal doen. We aanvaarden dan ook dat het Vlaams plan in deze periode zelf niet mikt op een 100 % realisatie van het doel, maar vinden wél dat snel andere (federale) hefbomen moeten in werking gezet worden.
· We vinden dat een planning tot 2005 te weinig is : planning moet ook op langere termijn voorspelbaarheid bieden.
· Als vakbond blijven we voorstander van een sterke energiefiscaliteit. We spreken ons hier niet uit over de vorm van en voorwaarden voor een federale CO2-energieheffing, maar willen er hier wél voor waarschuwen dat het Vlaams beleid de marges voor dergelijk federaal beleid niet vooraf mag ondergraven.
· De maatregelen voorgesteld in het Vlaams plan zijn divers, maar hebben voor een groot deel gemeenschappelijk dat ze zeer voluntaristisch ingevuld zijn : subsidies, convenanten, edm. rekenen teveel eenzijdig op de vrijwillige inzet van burgers en bedrijven. We pleiten voor een beter evenwicht met andere, meer dwingende maatregelen (wetgeving, normen, milieuvergunningen) die als een stol achter de deur worden ingezet.
· Welke maatregelen (en anderzijds voordelen) met voor een bepaalde doelgroep ook uitwerkt, er moet voor gezorgd worden dat hiermee de lasten niet eenvoudigweg doorgeschoven worden naar andere doelgroepen in de samenleving. Billijkheid en rechtvaardigheid van ieders inspanningen moeten doorslaggevend blijven bij de verdeling (zie verder).
· Er moet in elk geval over gewaakt worden dat m.b.v. dit plan alle op korte termijn rendabele investeringen in energie-efficiëntie ook effectief genomen worden, én door industrie, én door huishoudens. Om dit sociaal en economisch beter realiseerbaar te maken, moeten weloverwogen subsidies en andere steunmaatregelen (leningen, …) ingezet kunnen worden.
· Tenslotte vinden we het jammer dat er in het plan geen aanzet gegeven wordt voor een debat over reconversie. Er zijn wellicht bedrijven die niet in staat zullen zijn (of niet bereid) om verregaande inspanningen te doen in modernisering en efficiëntieverbetering op het vlak van energie. Wanneer zij afhaken, vallen ook de werknemers mee uit de boot. We willen dat de Vlaamse overheid nu al nadenkt over hoe zij via de verschillende mogelijke hefbomen haar reconversiebeleid op poten zal zetten.
· Om dit alles effectief te realiseren, af te dwingen en te controleren, is een sterke overheid nodig, én qua expertise, én qua middelen. Dit is vandaag op Vlaams vlak geenszins het geval. De uitbouw van de slagkracht van en de middelen voor de overheid zou dus een eerste prioriteit moeten worden van het plan.
3. De rol van flexibele instrumenten
Situering
Volgens het Kyoto-protocol mogen landen een deel van de inspanningen voor
uitstootvermindering in het buitenland realiseren. Deze instrumenten laten landen toe om schone projecten in het buitenland te realiseren en een deel van de daar (op een goedkopere wijze) gereduceerde emissies aan zichzelf toe te kennen : Clean development mechanisms (CDM) realiseren dit in ontwikkelingslanden, Joint implementation (JI) in andere industrielanden, hot air betekent boekhoudkundige CO2-rechten kopen in Rusland, en het gebruik van sinks of koolstofputten betekent CO2 opslaan in bossen en mijnen in het buitenland. De Europese Commissie werkt daarnaast aan een richtlijn over verhandelbare emissierechten tussen bedrijven onderling.
De toepassing in Vlaanderen van deze flexibele instrumenten wordt in het Vlaams klimaatplan voorbereid.
Ons standpunt
· Gezien het ambitieniveau en de relatief hogere kostprijs van de Belgische en Vlaamse doelstellingen is ook voor ons de inzet flexibele instrumenten wellicht nodig om de totale sociale en economische rekening te verlichten.
· Flexibele instrumenten zijn aanvullend inzetbaar, om ‘de CO2-rekening te doen sluiten’, nadat de nodige andere maatregelen in België en Vlaanderen genomen zijn.
· Een vaste voorkeursrangschikking tussen de mogelijke inzetbare flexibele instrumenten maken we niet, maar we hebben in elk geval een duidelijke voorkeur voor CDM-projecten in ontwikkelingslanden, mits die ook expliciet aan de lokale bevolking ten goede komen. Hot air scoort voor ons het slechtst. Het gebruik van sinks is afhankelijk van meer wetenschappelijke zekerheid over het nut ervan.
· We willen dus dat Vlaanderen snel van start gaat met CDM. Baten voor het land zelf zijn daarbij een prioritair criterium, ook bij PPS-projecten
4. De benchmarking convenant voor energie-intensieve bedrijven
Situering
De benchmarkingconvenant is een instrument dat bedrijfsinvesteringen in energie-efficiëntie moet helpen afdwingen. Vlaamse bedrijven die zo'n convenant afsluiten, moeten zich 'benchmarken' of vergelijken met bedrijven die aan de wereldtop staan op het gebied van energie-efficiëntie. Deze vergelijking, en vervolgens de maatregelen die genomen zullen worden om de wereldtop te halen, staan onder toezicht van een onafhankelijk bureau, het zogenaamde Verificatiebureau. Daarnaast begeleidt de zgn. commissie benchmarking de hele uitvoering en neemt ze ook beslissingen inzake afwijkingen edm. Deze commissie bestaat uit de overheid en de deelnemende sectoren.
Het benchmarkingconvenant is enkel van toepassing voor grote energie-intensieve bedrijven, zo'n 105 bedrijven, samen goed voor 74 % van het industrieel energiegebruik). In ruil voor de inspanningen om tot de wereldtop te behoren daarvoor verbindt de Vlaamse overheid er zich toe geen bijkomende verplichtingen in te voeren op het vlak van energieverbruik of broeikasgasemissies, en verdedigt zij ook een vrijstelling van eventuele energietaks voor deze bedrijven bij de bevoegde federale en Europese overheid.
Naast deze convenant voor energie-intensieve sectoren wordt er ook een zgn. auditconvenant voor de minder energie-intensieve bedrijven (zo’n 400) aangekondigd. Het is echter nu al duidelijk dat deze convenant op de lange baan geschoven wordt.
Ons standpunt
· Vooreerst betreuren we zeer sterk dat dit dossier maandenlang in alle stilte en ondoorzichtigheid is onderhandeld tussen enkele betrokken sectoren en de overheid. Wat vandaag voorligt is als het ware een uitonderhandeld, voldongen feit. Ook voor toekomstige eventuele convenanten is er geen enkele democratische controle voorzien, noch informatie. Het parlement wordt niet geïnformeerd, andere dan de onderhandelende sectoren ook niet, de vakbonden spelen geen rol. In algemeen eisen we dan ook dat in de toekomst convenanten beter procedureel geregeld worden, en bij de opmaak openbaarheid en inspraak voorzien worden. Voor de voorliggende convenant dringt een inhaalbeweging zich op, en moeten verdere inforechten ingebouwd worden (zie verder).
· Benchmarkingconvenanten zijn voor ons aanvaardbaar als een van de mogelijke instrumenten om een bepaald segment in de industrie tot investeren in energie-efficiëntie aan te zetten. Via dit instrument wordt immers de waarborg voorzien dat bepaalde bedrijven die sterk aan buitenlandse concurrentie blootstaan ook in de toekomst kunnen blijven groeien. Ook wort zo rekening gehouden met de inspanningen uit het verleden. De inzet van de convenant is voor ons echter gekoppeld aan strikte voorwaarden (zie verder).
· Voor wat hoort wat. Bepaalde voordelen voor bedrijven die een benchmarkingconvenant afsluiten moeten mogelijk zijn. Het krijgen van die voordelen moet gekoppeld zijn aan het halen van de doelstellingen : een convenant afsluiten alleen is niet genoeg. O.i. kan ook een (al dan niet gedeeltelijke) vrijstelling van een eventuele toekomstige federale CO2-energieheffing als tegenprestatie van de overheid deel uitmaken van de overeenkomst, mits men erover waakt dat de marges voor het federaal beleid hiermee niet teveel uitgehold worden.Bedrijven die echt (aantoonbaar) verder gaan dan de wereldtop mogen daarvoor extra steun krijgen (via innovatiesteun), omdat ze daarmee de Vlaamse industrie echt performant maken en dus tewerkstelling helpen verankeren.
· Vandaag voorziet de convenant een toezegging dat de Vlaamse overheid zal zorgen voor een vrijstelling van een eventuele federale heffing. Deze bepaling heeft twee potentiële gevaren (naast wat hierboven staat) : wanneer er op korte termijn geen heffing komt, is er voor de bedrijven geen enkele stok achter de deur om de convenant ook te respecteren. En wanneer er wél een heffing komt, en de Vlaams overheid slaagt er niet in haar belofte tot een federale vrijstelling ook waar te maken, moeten de bedrijven ook niks doen. Dit kan voor ons niet : er moet o.i. ook een andere stok achter de deur voorzien worden in de vorm van juridisch vastgelegde verplichtingen (bijv. via de vergunning), anders riskeert men een hele groep bedrijven gewoon vrij te stellen van enige doelstelling en taak.
· De klimaatdoelstelling voor Vlaanderen en België leggen een absoluut doel vast.
De convenant niet : bedrijven die de convenant respecteren mogen ongelimiteerd groeien qua productie … en dus ook qua emissies, mits ze maar energie-efficiënt zijn. Hierdoor zou men tot een situatie kunnen komen waarbij de ruimte voor andere sectoren en bedrijven wordt ‘opgegeten’ , en de lasten van het klimaatbeleid dus afgewenteld op de rest van de samenleving. Dit dient niet in de convenant zelf geregeld, maar ook het Vlaams klimaatplan biedt hierop geen antwoord. Voor ons kan dit niet : we erkennen de nood aan groei, ook voor deze bedrijven, maar dit mag niet ten koste gaan van anderen. Een klimaatplan dat hier geen aanpak voorziet (bijv. via de inzet van flexibele instrumenten) , is onvolledig en dus onaanvaardbaar.
· De voorliggende convenant biedt geen enkel recht op informatie of overleg met de vakbonden. Dit kan voor ons niet. Het energie- en klimaatbeleid van een bedrijf wordt steeds meer een strategisch thema, van belang voor het voortbestaan van het bedrijf en de tewerkstelling; Men vraagt ook onze lobbying wanneer men dit nuttig acht. Wij eisen dan ook dat in de convenant rechten voor de vakbonden in de deelnemende bedrijven worden vastgelegd : informatie over het afsluiten van de convenant;, over de bepaling van de afstand tot de wereldtop en de resultaten van het bedrijf terzake, over de investeringen die zullen gebeuren, en over het verloop van die investeringen. De ondernemingsraad (en bij ontstentenis de andere organen) is o.i. de best geschikte plaats. We willen ook een handtekening (een visum) van de vakbonden in de OR op de documenten die zullen nodig zijn om een vrijstelling van heffing of andere voordelen van de overheid te verkrijgen;
· De rol van het verificatiebureau (een onafhankelijk orgaan dat bij VITO is ondergebracht) moet voor ons versterkt worden en die van de commissie benchmarking (waarin naast de overheid ook de deelnemende sectoren zitten) moet afgezwakt. De laatste kan voor ons enkel adviseren (en niet beslissen) over algemene zaken en mag geen enkele rol spelen bij individuele bedrijfsdossiers. Het is voor ons altijd de overheid die moet beslissen over rechten, voordelen en afwijkingen, en het is het verificatiebureau dat terzake voorstellen doet.
· Verder stellen we vast dat de tekst van de convenant op heel wat punten zwak is en onduidelijkheden bevat. Zo moet veel sterker geformuleerd zijn dat bedrijven zelf niet zomaar mogen kiezen hoe ze hun afstand tot de wereldtop bepalen (we vinden wel aanvaardbaar dat er verschillende methodes gehanteerd kunnen worden), mogen bedrijven als ze zien dat ze de top niet zullen halen, hun verplichtingen realiseren met goedkopere flexibele instrumenten, hetgeen we al te vrijblijvend vinden, enz. Een uitzuivering van de tekst dringt zich op.
· Er wordt in de convenant geen rekening gehouden met de energieverbruiken bij aan- en afvoer van goederen en producten, enkel met de processen in het bedrijf zelf. Dit hiaat moet ingevuld worden (onder meer via een sterk mobiliteitsbeleid).
· Tenslotte heeft dit dossier ook een internationale dimensie. Ook andere landen sluiten immers dergelijke convenanten af met hun bedrijven. Het risico is reëel dat over de grenzen heen tussen bedrijven afspraken worden gemaakt om een gezamenlijke strategie te bepalen over wat nu de wereldtop is : ze kunnen een gezamenlijke stand still afspreken met elkaar ! Geen enkel nationaal klimaatbeleid biedt hierop vandaag een antwoord … een grensoverschrijdende overheids- en syndicale aanpak dringt zich dus op !