Congres 2002: Het ABVV in een veranderend Vlaanderen
Het Vlaams ABVV congresseerde op 18 en 19 oktober 2002. Onder het motto ‘Het ABVV in een veranderd Vlaanderen‘ werden volgende thema‘s behandeld: overleg en politiek, interprofessionele werking, levenslang en levensbreed leren, duurzaam werken.
- I. Overleg en politiek
- 1. Inspraak in het sociaal-economisch beleid
- 2. Staatshervorming en solidariteit
- 3. Regionaal sociaal overleg
- 4. Verhouding tot politieke partijen en andere sociale
- II. Interprofessionele werking
- Inleiding
- 1. Ondersteuning, vorming en opleiding
- A. Ondersteuning
- B. Vakbondsvorming
- C. "toeleiding, opleiding en begeleiding van kansengroepen"
- 2. Doelgroepenwerking
- A. Jongerenwerking
- B. Seniorenwerking
- C. Werklozenwerking
- 3. Bewegingswerk voor gelijkheid en democratie
- A. Gelijke kansen voor 'iedereen'
- B. Gelijke kansen voor vrouwen
- C. Gelijke kansen voor allochtonen
- D. Beweging tegen extreemrechts
- E. Culturele werking
- III. Levenslang en levensbreed leren
- 1. Onderwijs en opleiding van jongeren
- Overgang school-werk
- Kwaliteitsvolle stages
- Studiefinanciering
- 2. Competentie en competentieontwikkeling
- 3. Opleiding in het kader van de onderneming
- A. Bedrijfsinspanningen: stand van zaken
- B. Het bedrijf als lerende omgeving
- 4. Initiatief van de werknemer aanmoedigen
- 5. Evenredige participatie en gelijke kansen
- IV. Duurzaam werken
- 1. De overheid en haar beleid
- A. Het Vlaams economisch beleid
- B. Het ruimtelijke ordeningsbeleid
- C. Het mobiliteitsbeleid
- D. Het milieubeleid
- 2. Het bedrijfsleven: maatschappelijk verantwoord ondernemen in Vlaanderen?
- 3. Onze interne vakbondswerking optimaliseren
I. Overleg en politiek
1. Inspraak in het sociaal-economisch beleid
Resolutie 1: inspraakstructuren
1. We onderschrijven het primaat van de politiek als dit betekent dat het algemeen belang moet primeren op particuliere belangen. Dit behoort tot de essentie van de democratie. Maar het mag geen vrijbrief zijn om bijvoorbeeld sociale partners buitenspel te zetten. Integendeel, het sociaal overleg verbreedt het draagvlak van het politieke beleid. Zo kunnen werkgelegenheidsmaatregelen enkel effect hebben wanneer ze echt gedragen worden door de sociale organisaties. Bovendien komt het beleid niet alleen toe aan de politici. Zo moeten bijvoorbeeld afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen tot het primaat van het sociaal overleg blijven behoren.
2. We kunnen akkoord gaan met een hervorming van de inspraakstructuren. We zijn immers zelf al tot de slotsom gekomen dat er te veel overlapping is in het advieslandschap en een grotere selectiviteit inzake onze deelname aangewezen is. Maar er kan geen sprake zijn van minder inspraak rond die uitzichten van het sociaal-economisch beleid die wij als sociale partners belangrijk achten. En dit zowel op het landelijk niveau - met de SERV en het VESOC als spil - als op het subregionale en lokale niveau. We moeten er wel op aandringen om deze inspraakstructuren te organiseren op subregionaal en intergemeentelijk niveau.
Sommige gemeenten zijn hiervoor immers te klein. We moeten ook een optimale opvolging en coördinatie verzekeren, zowel op gewestelijk, Vlaams als op federaal niveau.
3. Ook al worden de inspraakstructuren opgeschoond, dan nog zullen instellingen als de SERV zich op hun kerntaken moeten toeleggen, en zullen we onszelf meer dan voorheen moeten toespitsen op onze prioriteiten, willen we echt invloed uitoefenen op het beleid. Deze prioriteiten inzake het beleid moeten we –bijvoorbeeld via een jaarplanning – nauwkeuriger vastleggen en ‘trajectmatig’ uitvoeren (voorbereiding standpunt, besluitvorming, interne en externe communicatie, inbrengen in het overleg, contact met kabinetten en parlementairen, evaluatie bereikte resultaat). Veel van de Vlaamse thema’s zijn nog grotendeels onbekend bij het merendeel van militanten en zelfs kaders. We moeten meer aandacht besteden aan een ruimere voorbereiding en communicatie van onze standpunten, waardoor de besluitvorming kan worden versterkt en een breder draagvlak wordt ontwikkeld voor de uitvoering ervan. Best wordt hiervoor op de beslissende momenten een intergewestelijk comité samengeroepen. Om onze doelstellingen te bereiken betrachten we tevens een synergie met andere organisaties die werkzaam zijn op diverse terreinen.
4. We moeten vaststellen dat ook andere betrokken partijen hun plaats opeisen in inspraakstructuren die tot nu toe uitsluitend aan de sociale partners werden voorbehouden, zoals bijvoorbeeld de lokale besturen in de STC’s. Op zich kan de dialoog binnen inspraakstructuren met andere belanghebbenden een verrijking zijn, zolang men maar erkent dat alles wat met arbeidsverhoudingen in ruime zin te maken heeft, een aangelegenheid is die uitsluitend toekomt aan de sociale partners.
2. Staatshervorming en solidariteit
Resolutie 2: solidariteit
1. We blijven sterke voorstanders van het behoud van de federale solidariteitsmechanismen zoals de Sociale Zekerheid en een solidaire financiering van gemeenschappen en gewesten. Hoewel we de inzet van fiscale instrumenten in het kader van de eigen bevoegdheden (bijv. mobiliteit, huisvesting,…) willen overwegen, blijven we toch gekant tegen een onbegrensde fiscale autonomie voor de gewesten die fiscale concurrentie tussen de gewesten (afsnoepen van investeringen of arbeidskrachten) in de hand zou werken. Vooraleer nieuwe politieke stappen inzake fiscale autonomie zouden gezet worden, moet expliciet aangetoond worden dat dit de solidariteit tussen de gewesten niet op de helling zet.. Ook op gemeentelijk niveau mogen eigen bevoegdheden en fiscale autonomie niet ten koste gaan van de solidariteit tussen rijkere en armere gemeenten.
2. Anderzijds zijn we vragende partij om binnen de eigen bevoegdheden de beschikbare beleidsruimte in Vlaanderen ook aan te wenden voor sociaal beleid, aanvullend op het federale beleid ten aanzien van inkomens. Zoals een Vlaamse zorgverzekering aanvullend is op de federale sokkel ‘tegemoetkoming hulp aan bejaarden’ of de Vlaamse aanmoedigingspremies bovenop de federale uitkering voor ‘tijdskrediet’ komt. Zo worden de Vlaamse overheidsmiddelen niet alleen ingezet voor voordelen aan de ondernemingen maar ook ten gunste van de werknemers.
3. Het regionale inkomensbeleid in al zijn facetten (zorgverzekering, aanmoedigingspremies, kostprijs openbare voorzieningen, studiebeurzen, milieuheffingen, regionale belastingkortingen,…) moet een prioritair aandachtspunt zijn van het Vlaams ABVV. We moeten daarbij vooral oog hebben voor een rechtvaardige (her)verdeling van lasten en lusten, maar ook voor de mogelijke afstemming met de andere deelgebieden, zoals Brussel.
4. Sinds 1999 maakte de term Actieve Welvaartsstaat opgang. De interpretaties ervan lopen uiteen. Sommige zaken die eronder verstaan worden, kunnen we onderschrijven, andere zijn te verwerpen. In elk geval is er nood aan een kritische en globale evaluatie ten gronde, zonder hierbij de Europese dimensie uit het oog te verliezen. Wij vragen om op een serene en rationele manier een ruime discussie op te starten in verband met de huidige en toekomstige verschuivingen binnen het stelsel van de sociale zekerheid die het gevolg zijn van nieuwe beleidsinzichten.
Voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan het hierboven geschetste kader, zijn de middelen ondergeschikt aan de doelstellingen: een adequate en maximaal socialistische invulling van de op federaal, regionaal en gemeenschapsvlak beschikbare middelen alsook rechtszekerheid voor de betrokkenen.
3. Regionaal sociaal overleg
Resolutie 3: regionaal sociaal overleg
1. De afstemming tussen het (arbeidsmarkt)beleid in Vlaanderen en het sociaal overleg in sectoren en bedrijven moet versterkt worden. Niet door nieuwe, regionale regels over het sociaal overleg uit te vaardigen, in concurrentie met de bestaande federale CAO-wet. Maar we moeten ook in de toekomst interprofessionele afspraken maken op Vlaams niveau die - samen met het federale Interprofessioneel Akkoord en met federale instrumenten - het kader vormen voor het overleg in sectoren en ondernemingen. Een kwaliteitsvol, federaal Interprofessioneel Akkoord moet dus de basis vormen voor aanvullende en nog betere regelingen (sectoraal, regionaal). Het overleg op federaal en regionaal niveau moet ook meer rekening houden met de subregionale en lokale inspraakniveaus zodat een samenhangend arbeidsmarktbeleid kan gevoerd worden op alle niveaus (bijv. inzake sociale economie, PWA’s,…).
2. Naast het overleg op kortere termijn moeten we als vakbond ook betrokken worden bij het uitstippelen van de lange-termijndoelstellingen van het sociaal-economisch beleid. Intern moeten we ook een debat voeren over onze prioriteiten op lange termijn, zodat we dergelijk overleg kunnen voeren op basis van onze eigen agenda.
4. Verhouding tot politieke partijen en andere sociale
Resolutie 4: politieke partijen en sociale bewegingen
1. Als ABVV moeten we ons in Vlaanderen sterker profileren met onze eigen visie en ons eigen programma. Om nog meer te wegen op het sociaal-economisch beleid en overleg, willen we, daar waar mogelijk ook in de toekomst verder samenwerken met het ACV. Onze acties mogen we niet laten afhangen van de deelname van het ACV. Het ABVV zal aandacht besteden aan de ACLVB, waar ze aanwezig zijn op het terrein en representatief zijn.
2. Willen we ons programma maximaal realiseren, dan is een politiek relais noodzakelijk, zeker in tijden van “het primaat van de politiek”.
De banden met de SP.a zijn ongetwijfeld sterker dan met andere politieke partijen in Vlaanderen.
Wij onderkennen onze historische band met de SP.a
De daaruit gegroeide bevoorrechte relatie vereist evenwel een duidelijke definitie, invulling en evaluatie en moet permanent getoetst worden aan de politieke slagkracht die de SP.a wil en kan opbrengen om de doelstellingen en standpunten van het ABVV te ondersteunen.
Dit sluit niet uit dat we een dialoog aangaan met andere progressieve partijen. Bovendien moeten we onze standpunten en voorstellen uitvoerig en op het juiste moment communiceren naar de publieke opinie en naar alle andere democratische politieke partijen.
3. Onze gemeenschappelijke belangen met de nieuwe sociale bewegingen (o.m.: milieubeweging, derde wereldbeweging, vrouwenbeweging, beweging tegen de neoliberale globalisering, vredesbeweging …) zijn ongetwijfeld groter dan onze tegenstellingen. Dit moeten we dat meer in de verf zetten. Het is belangrijk om rond concrete punten naar (al dan niet tijdelijke) samenwerkingsverbanden met de meest relevante Niet Gouvernementele Organisaties te zoeken of verder te werken, dit teneinde een gemeenschappelijk optreden op bepaalde terreinen mogelijk te maken. In elk geval moeten we meer in dialoog gaan, niet als concurrenten maar als evenwaardige partners. Bovendien zal het Vlaams ABVV jaarlijks een intervisie organiseren met deze nieuwe sociale bewegingen, waarbij gezamenlijke acties aan de agenda kunnen staan. Het zou positief zijn als het Vlaams ABVV in al zijn geledingen zich precies door de genoemde bewegingen laat inspireren om die thema’s meer prioriteit te geven in onze werking en programma’s.
4. We moeten onze rol als massabeweging verder opnemen, zeker als het gaat om de strijd voor democratie of verdraagzaamheid. Zo moeten we doorgaan met het uitsluiten van militanten van het Vlaams Blok, het best via een gecoördineerde aanpak over de vakbonden heen. Maar we moeten de strijd tegen extreemrechts ook breed en in de diepte aanpakken. Want een debat over strategieën tegen extreemrechts en voor verdraagzaamheid is ook een debat over ons profiel en onze werking (onze communicatiestijl, het bereiken van onze leden, een goede dienstverlening, een wervende ideologie, ons programma (strijd voor hogere sociale minima, enz)… Onze strijd voor democratie en respect moet er ook in bestaan de druk op de politici op te drijven om te komen tot een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt, waar er geen discriminatie en ongelijkheid bestaat, waar geen sociale uitsluiting getolereerd wordt (wat goed uitgebouwde en kwaliteitsvolle overheidsdiensten veronderstelt).
II. Interprofessionele werking
Inleiding
Resolutie 0: IPW
Om alle veranderende taken te blijven waarmaken is een grondige evaluatie van alle aspecten, inbegrepen de financiering, van de interprofessionele werking aangewezen.
Daarbij dienen we rekening te houden met het gegeven dat de overheid de subsidiëring van het sociaal-cultureel werk, het jongerenwerk, en ook projectgerichte subsidiemogelijkheden, ingrijpend hervormt met het invoeren van principes van integrale kwaliteitszorg.
De betrokken diensten en werkingen dienen beleidsplannen op te stellen en een evaluatie toe te passen.
De beleidsinstanties van het Vlaams ABVV zullen deze evolutie opvolgen en voor het geheel van de syndicale opdrachten en gesubsidieerde werkvelden prioritaire beleidsdoelen formuleren om deze verder complementair te ontwikkelen en de financiële onderbouw te waarborgen.
Aan het congres worden alvast enkele oriëntaties voorgelegd in drie luiken:
· ondersteuning, vorming, opleiding
· doelgroepenwerking
· bewegingswerk voor gelijkheid en democratie.
1. Ondersteuning, vorming en opleiding
A. Ondersteuning
Resolutie 1: onze interne ondersteuning optimaal organiseren
Geconfronteerd met allerlei nieuwe thema's, werkmethoden en knelpunten, hebben onze militanten nood aan extra - ondersteuning.
Alle leden en militanten hebben recht op een gelijkwaardige, kwalitatieve dienstverlening en ondersteuning van het ABVV in gans Vlaanderen.
Afstemming en duidelijke taakafspraken tussen het professionele en interprofessionele zijn daartoe een eerste vereiste.
De ondersteuning van de militanten in eerste, tweede en derde lijn , afhankelijk van het thema en de gemaakte afspraken, door centrales, de gewesten, of het intergewestelijk niveau, moet in kaart gebracht worden.
Er is ook ondersteuning nodig van centrales en gewesten inzake arbeidsmarkt, economisch beleid, milieu en ruimtelijke ordening. Het Vlaams ABVV zal, in samenwerking met de gewesten, een algemene omkadering (visie, informatie, aangepast ondersteunend materiaal, taakafspraken) uitwerken voor de militanten die het ABVV vertegenwoordigen in PWA's, milieuraden, werkwinkels en Gecoro's.
Gezien de grote nood aan meertalige publicaties in sommige regio’s, vraagt het Vlaams ABVV aan het federaal ABVV om een gecoördineerd publicatiebeleid uit te werken met afspraken tussen het professionele en interprofessionele, en tussen de drie intergewestelijken.
B. Vakbondsvorming
Resolutie 2: vormingsdoelen en vakbondswerking
Vorming van militanten op vlak van kennis, vaardigheden, houding en waarden is een noodzakelijke ondersteuning van de vakbondswerking. Om die functie optimaal te blijven invullen dienen de vormingsdoelstellingen te worden besproken in regelmatig overleg met de vakbondsinstanties op alle niveaus. Maar zulk overleg is nog niet gesystematiseerd en gebeurt onvoldoende. Een actieplan met precieze initiatieven dient daartoe opgesteld.
Resolutie 3: samenwerking tussen centrales en gewesten
Om de militanten een zo goed mogelijk vormingsaanbod te verstrekken moet er een voortdurende samenwerking tot stand komen tussen centrales en gewesten als aanbieders van vorming.
Die samenwerking steunt op de volgende uitgangspunten:
-het invullen van de verschillende behoeften aan vorming bij de militanten;
- maximale vormingskansen voor alle militanten met respect voor hun uiteenlopende mogelijkheden;
- complementariteit tussen professionele en interprofessionele vorming. Deze complementariteit kan vorm gegeven worden via het ontwikkelen van vormingstrajecten. De terugkoppeling van de vorming naar de centrales en omgekeerd is zeer belangrijk om wederzijds signalen te geven om de werking en de vorming beter op mekaar af te stemmen.
In de instanties van het Vlaams ABVV is een begin gemaakt met concrete voorstellen om zo'n samenwerking vorm te geven. Die afspraken moeten verder uitgewerkt, uitgevoerd en opgevolgd worden.
C. "toeleiding, opleiding en begeleiding van kansengroepen"
Als ABVV en zijn beroepscentrales hebben we een rol te spelen in de toeleiding, begeleiding en opleiding van kansengroepen. Onze eerstelijnsmedewerkers van zowel de interprofessionele als professionele structuren zijn goed geplaatst om deze rol, met betrekking tot toeleiding en begeleiding, op te nemen.
Meer in het bijzonder vervullen de medewerkers van de uitbetalingsinstelling, mede door hun decentrale aanwezigheid op het terrein en door hun vertrouwensrelatie met onze werkloze leden, een scharnierfunctie in deze opdracht. Het is belangrijk om in onze persoonlijke kontakten met werklozen hen het vertrouwen te geven in zichzelf en in hun vakbond.
Resolutie 4: begeleiding en opleiding
Onze opleidingsprojecten waarbij we ook aandacht moeten hebben voor sector- en bedrijfsgerichte opleidingen, maken integraal deel uit van onze dienstverlening aan leden die we zo breed mogelijk en gedifferentieerd willen aanbieden.
Via intensieve begeleiding en arbeidsmarktgerichte opleidingen bevorderen we de duurzame inschakeling van kansengroepen.
Resolutie 5: ontwikkeling van toeleidingsinstrumenten
Als vakbond die belangen van werkzoekenden verdedigt, hebben we, via het kanaal van de uitbetalingsinstelling, een meer vertrouwelijke band met werkzoekenden. Een goede dienstverlening naar deze leden vraagt meer dan alleen een correcte en tijdige uitbetaling. Een hulp proberen te zijn in hun zoektocht naar werk (toeleiding) is even relevant in deze tijd waarvan iedereen een actieve bijdrage wordt gevraagd in de welvaartsstaat. Daarom ontwikkelen we een voor ons als ABVV passend concept van toeleiding als een gezamenlijke opzet van de ABVV-werkloosheidsdiensten, de werklozenwerking, onze vzw KOPA (Kans op Arbeid coördineert de opleidingscursussen) en de centrales.
Resolutie 6: aandacht voor kwaliteitszorg
Alle aspecten van het opleidingswerk worden verder kwalitatief uitgebouwd zoals cliëntvriendelijkheid, opleidingsmethodieken, samenwerkingsverbanden en opleiding van medewerkers.
2. Doelgroepenwerking
A. Jongerenwerking
ABVV-Jongeren spreekt jongeren aan zodat ze kunnen kennismaken met het ABVV en laat het ABVV kennismaken met jongeren. Door jongeren op een voor hen passende manier te organiseren kan ABVV-Jongeren een nieuwe generatie met een nieuwe kijk, binnenbrengen in het ABVV. Mede hierdoor evolueert het ABVV nog meer naar een ‘spiegel van de samenleving’.
Met onze dienstverlening inzake de overgang tussen school en werk richten we ons in het bijzonder naar schoolverlaters en jobstudenten. Die specialisatie is logisch omdat we daarmee diensten verlenen en belangen verdedigen voor jongeren die overgaan van de schoolse wereld naar de werkende wereld.
De thema's waarop we ons toeleggen zijn: jobstudenten, schoolverlaters, deeltijds leren en werken en de democratisering van het onderwijs (studiebeurzen, leerlingen- en studentenraden).
Om daarbij een zo groot mogelijk aantal jongeren te kunnen bereiken zou gratis lidmaatschap een belangrijke troef zijn.
Naast het aanbieden van dienstverlening en belangenverdediging gespecialiseerd op de overgang tussen school en werk, organiseren ABVV-Jongeren tal van activiteiten en projecten voor en door jongeren.
Deze zijn gericht op een kritische en constructieve houding waarbij jongeren kunnen kennismaken met de visie en de waarden van het ABVV.
De leden van ABVV-Jongeren stromen door naar de centrales en vormen aldus een belangrijke schakel tussen het ABVV als organisatie en de leefwereld van de jongeren.
ABVV-Jongeren kan met specifieke knowhow (zoals publicaties over onthaal, veiligheid en jeugdvakantie) de centrales ook helpen bij het werven van nieuwe, jonge werknemers op de werkvloer.
Resolutie 7: diensten en belangen tussen school en werk
ABVV-Jongeren profileert zich met professionele dienstverlening en belangenverdediging op het domein van de overgang tussen school en werk.
Door de medewerkers te voorzien van voldoende vorming, publicaties en materiaal moet ABVV-Jongeren duidelijk opkomen voor de individuele en collectieve belangen van jongeren in situaties zoals studentenjobs, school verlaten, studiebeurs aanvragen, deeltijds leren en werken en stages.
Door het gratis lidmaatschap voor scholieren en studenten vanaf 15 jaar verlagen we de drempel van onze dienstverlening waardoor we een groter publiek bereiken, overtuigen en lid maken.
Resolutie 8: jongeren bewegen en vormen
ABVV-Jongeren bouwt het syndicaal bewegingswerk en vormingswerk naar scholieren en studenten verder uit en ent zich hiervoor op de basiswaarden van het ABVV: gelijkheid, rechtvaardigheid, solidariteit en democratie, met als doelstelling ook scholieren en studenten te stimuleren om te militeren in het ABVV.
Resolutie 9: centrales een ondersteuning bieden voor het werven van jonge leden
ABVV-Jongeren overtuigt scholieren en studenten om door te stromen naar de centrales en biedt een ondersteuning aan de centrales voor het werven op de werkvloer van nieuwe, jonge werknemers. Dit kan door het samen ontwikkelen van instrumenten, o.a. van specifieke publicaties, en ander materiaal en aanbod dat aangepast is aan de leefwereld van jongeren.
Door het gratis lidmaatschap van jongeren vanaf 15 jaar, geënt op onze dienstverlening, wordt de stap naar een “groot lidmaatschap” op het moment dat de jongere actief werkende wordt of een uitkering vraagt, een heel stuk kleiner gemaakt. Een goede opvolging en evaluatie is hiervoor wel vereist.
Resolutie 10: financiering van ABVV Jongeren
Het Vlaams ABVV zal de interne motie ‘Jongeren’ van het federale ABVV nauwgezet uitvoeren. De nieuwe financiële afspraken moeten er toe leiden dat er ook meer middelen naar de jongerenwerking gaan.
Daar waar de gewestelijke beroepscentrales reeds inspanningen deden, mogen de nieuwe financiële afspraken geen dubbele financiering inhouden.
Deze grotere inbreng vanuit het ABVV moet aangewend worden om het aanbod en de werking te versterken.
B. Seniorenwerking
Resolutie 11: meer senioren bereiken
Om een echte uitbouw van de seniorenwerking mogelijk te maken, moeten de senioren in eerste instantie lid kunnen blijven van de centrales.
Met onze brug- en gepensioneerdenwerking willen we meer senioren bereiken, onder meer door het aanbieden van zinvolle, syndicale, informatieve toegankelijke en aangepaste sociaal-culturele activiteiten (bijv. in samenwerking met Culturele Centrale) om tot een brede massabeweging te komen.
Bovendien moeten we een aangepaste dienstverlening voor senioren ontwikkelen. Uiteindelijk willen we één seniorenwerking van gepensioneerden en bruggepensioneerden behouden en verder uitbouwen, waarbij een gesyndiceerde op het scharniermoment van de pensionering lid blijft of, als men geen lid meer is, het opnieuw wordt.
Resolutie 12: senioren hebben hun zeg
Onze syndicale structuren, professionele en interprofessionele, dienen de nodige initiatieven te nemen om senioren te integreren ook in de besturen, zodat hun bekommernissen beter doorklinken bij de vakbond. Bij deze integratie moet de seniorenwerking nauw verbonden blijven met de gewestelijke beroepscentrales, en met de interprofessionele besluitvorming op landelijk niveau.
We zijn voorstander van een zekere zelfstandige werking waarbij de (brug)gepensioneerden uiteraard lid blijven van hun beroepscentrale.
Een duidelijkere structuur en werking van de Vlaamse commissie brug en gepensioneerdenwerking (met een vertegenwoordiging naar de federale commissie) dient gerealiseerd te worden.
Resolutie 13: belangen actief verdedigen
De seniorenwerking neemt actief deel aan overleg- en belangenorganisaties op diverse niveaus: op lokaal niveau (gemeentelijke seniorenraden), provinciaal niveau (provinciaal seniorenoverleg), Vlaams niveau (OOK - Ouderen Overleg Komitee) en op het Europees niveau (FERPA).
Het vertegenwoordigend werk van de militanten verdient specifieke ondersteuning door de gewesten in samenwerking met het Vlaams ABVV.
Resolutie 14: financiering van de seniorenwerking
Het welslagen van het opzetten van elke seniorenwerking hangt af van een duidelijk lidmaatschap tegen een welbepaalde minimum bijdrage. Vanuit deze bijdrage is er een afdracht naar de gewestelijke ABVV afdeling, naar het federaal ABVV; en naar de Intergewestelijken voor de werking van de senioren.
C. Werklozenwerking
Resolutie 15: werklozen actief betrekken
We willen de verschillende groepen werklozen actief betrekken in ons vakbondswerk door de uitbouw van comités van werklozen, het geven van een stem aan werklozen via comités, enquêtes en bovendien een structurele vertegenwoordiging van werklozen in de vakbondsinstanties en besturen.
Bij deze werking geven we aandacht aan oudere en jongere werklozen, structureel langdurig werklozen, allochtone werklozen,…
Resolutie 16: werklozen meer weerbaar maken
We werken aan de weerbaarheid van werklozen door toeleiding en vorming, informatie over hun rechten en plichten (in samenwerking met de opleidingsprojecten).
Resolutie 17: belangen van werklozen verdedigen
De werklozenwerking verdedigt mee de belangen van de werklozen – zowel naar een volwaardig inkomen toe als naar kansen op werk - via acties, vertegenwoordigend werk, ondersteuning van werklozen in opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven zoals de cursistenraden en de PWA's.
3. Bewegingswerk voor gelijkheid en democratie
A. Gelijke kansen voor 'iedereen'
Resolutie 18: gelijke kansen “voor iedereen”
Het principe 'gelijke kansen' voor iedereen dient verder opgenomen te worden in alle aspecten van onze externe maar ook interne reguliere werking (= mainstreaming), inbegrepen ons vertegenwoordigend werk.
Het Vlaams ABVV vraagt aan de federale ABVV-instanties een jaarlijks actieplan ‘gelijke kansen’ in de ABVV-structuren op te zetten en dit te begeleiden met interne projectontwikkeling.
Stappen zetten in het meer gezinsvriendelijk maken van onze werking en aanpak is hierbij een fundamenteel uitgangspunt.
Resolutie 18bis:
Het ABVV wenst op te komen voor mensen met een handicap teneinde hen zoveel mogelijk sociaal te laten participeren als volwaardige burger in de samenleving. Dit veronderstelt een attitudewijziging op maatschappelijk vlak waarbij elke vorm van discriminatie ten aanzien van mensen met een handicap dient bestreden te worden.
Resolutie 18ter:
Het ABVV verklaart open te staan voor de diversiteit in sexuele geaardheid en elke persoon met respect als volwaardig burger te behandelen en actief elke vorm van pesterij of discriminatie te bestrijden die zich zou voordoen op basis van de sexuele geaardheid.
B. Gelijke kansen voor vrouwen
Resolutie 19: vrouwentrefdag
Het Vlaams ABVV organiseert jaarlijks een trefdag voor vrouwen met een opleidingsluik en een sociaal-cultureel luik. De succesformule van de vrouwentrefdag moet – om aantrekkelijk te blijven – jaarlijks geactualiseerd worden.
Daarnaast wordt een vrouweninformatienetwerk opgericht (voor iedereen toegankelijk)
Het Vlaams ABVV onderzoekt welke vormingsinitiatieven zij kan nemen in verband met gelijke kansen. Afhankelijk hiervan zal zij vormingsdagen organiseren die openstaan voor zowel mannen als vrouwen.
Het Vlaams ABVV moet erover nadenken via welke formules het genderdenken kan binnengebracht worden binnen het ABVV en op welke manier een bilan van de vrouwendossiers kan opgemaakt en getoetst worden (bv. eén of twee seminaries ter voorbereiding van de vrouwendag, een vrouwenconferentie aan de vooravond van het Congres,…)
C. Gelijke kansen voor allochtonen
Resolutie 20: discriminatie en racisme bestrijden
Het ABVV moet met alle secretarissen en medewerkers, de strijd tegen vooroordelen, discriminatie en racisme in woord en daad versterken. Ook over dit moeilijke thema moeten we de discussie durven aangaan. Wij kunnen beroep doen op ondermeer een landelijke help desk waar secretarissen, delegees en medewerkers terecht kunnen met vragen over discriminatie en racisme, en over de manier waarop we discussies het best kunnen voeren.
Bovendien moeten we onze argumentatie breder bekend maken, ideologisch verwerken in onze culturele en vormingsinitiatieven en duidelijk koppelen aan onze eigen oplossingen.
Resolutie 21: diversiteitsplannen ondersteunen
Met landelijke en gewestelijke uitwisselingsmomenten, aangevuld met vorming, zullen we als ABVV de diversiteitsplannen in de ondernemingen verder begeleiden. Dit laat ons toe om een syndicale deskundigheid in deze materie verder uit te werken.
Bovendien moeten we onze diversiteitsinspanningen nauwer koppelen aan de realiteit van de syndicale werking in sectoren en bedrijven.
Het Congres vraagt tevens dat alle geledingen van het ABVV ook voor hun intern personeelsbeleid diversiteitsplannen te ontwikkelen.
D. Beweging tegen extreemrechts
Resolutie 22: strijd tegen extreemrechts
Het ABVV zet de strijd tegen extreemrechts verder door te ijveren voor een beleid dat de problemen erkent, aanpakt en op gelijkheid, rechtvaardigheid, solidariteit en democratie steunt.
Het ABVV moet militanten van het Vlaams Blok en andere extreem-rechtse bewegingen blijven uitsluiten. Het is noodzakelijk dat er in het Vlaams ABVV praktische richtlijnen worden opgesteld hoe dit gebeurt en wordt opgevolgd, zowel intern in het ABVV, als met de andere vakbonden.
Het ABVV maakt verder werk van argumentaria om de standpunten van extreemrechts te ontmaskeren.
Publicaties, argumentaria, tentoonstellingen en gelijkaardige initiatieven moeten op ruime schaal verspreid en gepropageerd worden.
De strijd moet structureel in het syndicale werk worden ingebouwd. In de vormingsprogramma's van centrales en gewesten wordt de nodige aandacht besteed aan de strijd tegen extreemrechts en voor diversiteitsplannen in de ondernemingen.
Het ABVV stimuleert en participeert aan democratische samenwerkingsverbanden die extreemrechts bestrijden.
E. Culturele werking
Resolutie 23: een breder syndicaal cultureel netwerk opbouwen
De Culturele Centrale moet uitbreiden tot een syndicaal cultureel netwerk van geëngageerde, cultureel geïnteresseerde vrijwilligers, groepen/afdelingen en contactpunten.
Resolutie 24: vrijwilligers ondersteunen
We ondersteunen het engagement van vrijwilligers in de afdelingen Culturele Centrale met een aantrekkelijk programma-aanbod op maat van de afdelingen: kant en klare educatieve pakketten (o.a. wegwijs op het internet, solidariteit zonder grenzen,..) wedstrijd 'bewogen fotografie', het vrijwilligersforum, en een specifiek aanbod voor seniorengroepen (zoals het Euroinfopakket).
Resolutie 25: een cultureel serviceaanbod voor het ABVV
Met het uitbouwen van een ruim cultureel serviceaanbod vergroten we de aantrekkingskracht van het ABVV: een kortingaanbod voor (culturele) evenementen voor ABVV leden, uitstappen in grote groep aan voordelige prijzen (bv. York), uitbouw van een programma 'rode cultuurreizen', een jaarlijkse Rode Cultuurdag, promotie van rode cultuurproducten (zoals de film "The Navigators"), enz.
III. Levenslang en levensbreed leren
Resolutie 1: levenslang leren
Levenslang leren moet ons in staat stellen de vele en snelle veranderingen in de maatschappij aan te kunnen. Leren moet gericht worden op de verhoging van de kwaliteit van ons leven en niet enkel om met veranderingen in het bedrijfsleven om te gaan. Daarom moet het ook levensbreed leren zijn.
Levenslang Leren kan voor bepaalde groepen werknemers bedreigend overkomen, omdat ze vrezen dat ze niet mee zullen kunnen met de voortdurende veranderingen. We moeten er zorg voor dragen dat levenslang leren niet bijdraagt aan nog meer onzekerheid bij de werknemers. Levenslang leren kan en mag geen vorm van uitsluiting met zich mee brengen.
Levenslang leren moet het recht worden van iedereen ( actief /niet actief; ouderen/jongeren ; werknemer KMO/grote bedrijven; gehandicapten …) en vertrekken van een actieve rol van de lerende. Daartoe moet permanente vorming (bij-en omscholing) in principe zo kosteloos mogelijk zijn voor de cursisten.
Het is in het belang van de werknemer dat wij als ABVV opkomen voor dit recht, zowel interprofessioneel als sectoraal .
Met de terechte aandacht voor levenslang leren ontstaat ook het gevaar dat o.a. in opleidingsmilieus tewerkstelling meer en meer gezien wordt als een bijproduct van opleiding. Het is de taak van het bedrijfsleven en/of de overheid om een stabiele tewerkstelling te garanderen. Men kan die verantwoordelijkheid niet ontvluchten door te proberen een stabiele “ levenslange” opleiding te garanderen.
1. Onderwijs en opleiding van jongeren
Overgang school-werk
Resolutie 2: democratisering onderwijs
Onderwijs moet zorgen voor maximale algemene vorming van jonge mensen, zodat ze later maximale kansen krijgen op zelfontplooiing en een zelfbewuste en democratische mentaliteit ontwikkelen. Onderwijs mag en kan niet onvoorwaardelijk in dienst gesteld worden van de economie. De democratisering van het onderwijs moet weer prioriteit worden. Dit moet gebeuren door:
· De hervorming van het studiebeurzen -en onderwijsstelsel , zodat niet enkel de financiële kloof, maar ook de culturele en sociale kloof tussen de hogere en lagere inkomensgroepen wordt weggewerkt en daarop aansluitend de mogelijkheid geboden wordt aan elke jongere om al zijn mogelijkheden en kansen te ontwikkelen.
· Te zorgen dat iedereen recht heeft op onderwijs naar eigen keuze en niemand kan uitgesloten worden op basis van afkomst, ras, levensbeschouwing of politieke overtuiging, noch door zijn sociale status.
Voor het basis- en secundair onderwijs vragen we:
· Dat er een duidelijke herziening van de financiering van het onderwijs komt die het principe van de kosteloosheid mogelijk maakt voor alle studierichtingen in het leerplichtonderwijs vertrekkende vanuit de eindtermen en ontwikkelingsdoelen
· Het onderwijs zo te organiseren dat niemand de school kan verlaten zonder startkwalificatie. De modularisering van het beroeps- en technisch onderwijs en de invoering van een technisch component voor het algemeen onderwijs zijn hierbij instrumenten en dienen progressief doorgevoerd te worden. Vooraleer het modulair systeem in te voeren is het noodzakelijk dat er voorafgaand een aantal randvoorwaarden vervuld worden.
Voor het beroeps- en technisch onderwijs vragen we verder prioritair werk te maken van een herwaardering, opdat het negatief imago kan verdwijnen dat ouders nu doet weigeren om hun kinderen naar het beroeps- en technisch onderwijs te sturen.
· Daartoe dient eerst een aanpassing van de pedagogische aanpak in het kleuter- en basisonderwijs te gebeuren en moet de Vlaamse overheid met middelen over de brug komen.
· Initiatieven om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren zijn belangrijk en moeten het resultaat zijn van paritair overleg ( School/onderwijs,werkgever en vakbonden) en niet van exclusieve afspraken tussen school en bedrijfsleven. In het kader van de paritaire opleidingsfondsen kunnen hiertoe ondersteunende initiatieven opgezet worden ( stages leraren, toegang nieuwe machines, promotiecampagnes technisch en beroepsonderwijs…). Een betere toeleiding van de opleiding naar een job, is hierbij ook een belangrijk aandachtspunt, zeker voor de zwakste doelgroepen.
· De samenwerking tussen de sectoren en de Vlaamse overheid is hierbij zeer belangrijk. De zogenaamde sectorconsulenten moeten hiervoor ingezet worden.
· Leerwerkplaatsen en een Beroepenhuis zijn goede instrumenten om jongeren te motiveren voor het volgen van studies die leiden naar praktische uitvoerende beroepen. Het ABVV moet aan deze instrumenten meewerken en doorverwijzen naar de juiste diensten.
· Democratisering van het onderwijs houdt ook verband met het aanbod van diverse onderwijsrichtingen in de verschillende netten. Vandaag is deze situatie ‘scheef’-getrokken. Het ABVV herbevestigt het belang van het gemeenschapsonderwijs, en de verantwoordelijkheid van de Vlaamse overheid terzake.
Kwaliteitsvolle stages
Stages zijn een zeer goede manier om er voor te zorgen dat het voltijds onderwijs voldoende afgestemd blijft op de arbeidswereld. De doelstelling van de stage is enerzijds de jongeren kennis te laten maken met de realiteit van een beroep en de arbeidswereld in het algemeen ( bedrijf, werkomstandigheden, vakbond,…) en anderzijds de schoolse kennis en vaardigheden leren toepassen in de praktijk. Een kwaliteitsvolle stage moet aan een aantal criteria voldoen: de inhoud moet aansluiten bij de studie-inhoud, de leerling moet begeleid worden en de werkomstandigheden en werkmiddelen moeten up–to-date zijn. Alle leerlingen moeten recht hebben op een kwaliteitsvolle stage. Hieromtrent moeten sluitende afspraken gemaakt worden tussen onderwijs, overheid en de sociale partners uit de sectoren. Het al dan niet aanbieden van stages mag niet van het toevallige aanbod van een school afhankelijk zijn.
De rechten en plichten van stagiairs moeten dringend geregeld worden. Stage is een opleiding en mag dus niet ingegeven zijn om tekorten op de arbeidsmarkt op te vangen. Een kaderregeling is nodig om de verplaatsingskosten, de duurtijd van de stage, maar tevens een stagevergoeding voor de reëel gepresteerde arbeid te regelen.
De sectoren zijn het beste niveau voor het verder verfijnen van de kaderregeling. Bovendien moeten de overlegorganen in de ondernemingen de inzet van stagiairs reëel kunnen controleren, met het oog op kwaliteitsbewaking. Ook voor leerkrachten is een soort stage in de sector belangrijk om tijdig op de hoogte te blijven van de verschuivingen in het beroep dat ze jongeren aanleren.
Studiefinanciering
Leerplichtonderwijs zou in principe gratis moeten zijn. In afwachting daarvan moet het studiebeurzenstelsel voor het secundair onderwijs geherwaardeerd worden om tegemoet te komen aan de stijgende studiekosten, te beginnen met dezelfde verbeteringen door te voeren als voor het hoger onderwijs, onder meer naar de eenoudergezinnen toe.
Voor zowel het secundair onderwijs voor het hoger onderwijs moet het studiebeurzenstelsel twee maatschappelijke doelstellingen dienen:
Ten eerste jongeren uit lage inkomensgroepen, voor wie een beurs echt het verschil maakt, over de streep trekken om duurderde studierichtingen of hogere studies te volgen. Daarvoor moet de maximumbeurs verhoogd worden, opdat ze meer de reële studiekosten zou dekken.
Dit betekent ook dat de beurs kan verschillen van studierichting tot studierichting. De reële kosten lopen immers nogal uiteen naargelang de richting in het hoger en/of secundair onderwijs.
Een tweede doelstelling is de lagere middengroepen bijstaan in de zware financiële inspanning die vooral hogere studies voor het gezin betekenen. Daarvoor moet de maximum inkomensgrens opgetrokken worden, zodat er meer kinderen uit die groepen een tussenkomst in de studiekosten kunnen krijgen, ook in het secundair onderwijs.
Door de verhoging van de bedragen en de inkomensgrenzen én de automatische indexatie ervan, kunnen de reële studiekosten gedekt worden en het maatschappelijk draagvlak van het systeem verbreed worden.
Een belangrijk aandachtspunt voor dat draagvlak is een degelijke controle van de inkomensaangifte, waarop het studiebeurzenstelsel gebaseerd is.
In het kader van het levenslang- en levensbreed leren is het van essentieel belang dat er een samenwerking tot stand komt tussen het onderwijs en de sectorale opleidingsfondsen. De convenanten tussen de Vlaamse regering en de sectorale partners kunnen hierbij een belangrijk instrument zijn. De inbreng van de knowhow en de middelen van zowel onderwijs als de sectorale opleidingsfondsen moeten kunnen leiden tot een win-win situatie voor beide partijen.
2. Competentie en competentieontwikkeling
Resolutie 3: recht op loopbaanbegeleiding
Elke werknemer moet recht op loopbaanbegeleiding krijgen en op eigen initiatief terecht kunnen in een erkend loopbaanbeleidingscentrum. Omdat het overal op dezelfde wijze georganiseerd en toegankelijk moet zijn, moet de overheid dit recht op loopbaanbegeleiding garanderen als een vorm van basisdienstverlening naar werknemers.
De (competentie)balans is vertrouwelijk en is eigendom van de werknemer.
Resolutie 4: loopbaanbegeleiding als vakbondsdienstverlening
Ook als vakbond kunnen wij een dienstverlening naar loopbaanbegeleiding uitbouwen. In een eerste fase zullen een aantal gewesten een pilootproject rond loopbaanbegeleiding starten.
Daarbij zal het Vlaams ABVV ook informatie aangaande levenslang leren aanbieden, op basis waarvan leden efficiënt kunnen doorverwezen worden. In een tweede fase kan slechts na een grondige evaluatie en in functie van financiering en personeel, een verderzetting en verbreding van de dienstverlening worden uitgewerkt.
Om dualisering tegen te gaan, moeten wij er zeker voor zorgen dat onze lagergeschoolde leden mee op de trein kunnen stappen.
Loopbaanbegeleiding richt zich in eerste instantie naar werknemers. De organisatie ervan dient dan ook in nauwe samenwerking met de centrales en de beroepssectoren te gebeuren. Deze kunnen ook - wanneer opportuun - de belangrijke en noodzakelijke band leggen met de initiatieven van de paritaire vormingsfondsen op sectoraal vlak.
Resolutie 5: erkenning van verworven competenties (EVC)
De erkenning van verworven competenties is een stap die de werknemer kan zetten, na het opmaken van een persoonlijke balans. De huidige initiatieven van de Vlaamse overheid hieromtrent moeten permanent geëvalueerd worden samen met de sociale partners. In de eerste plaats is dit een persoonlijke keuze, binnen het individueel recht op erkenning van verworven competenties dat moet tot stand komen. De maatschappelijke erkenning van de certificaten moet gegarandeerd worden ( gelijkstelling aan diploma’s).
Hoe het personeelsbeleid van de onderneming omgaat met competenties en EVC is een ander deel van het debat. Het Vlaams ABVV zal hierover een syndicale visie voorbereiden die door de instanties bekrachtigd moet worden.
De beroepsprofielen opgesteld door de SERV – Sociaal-economische Raad van Vlaanderen – i.s.m. de sectoren, zijn een instrument voor de verbetering en verfijning van het schoolse onderwijs, de beroepsopleidingen en de arbeidsbemiddeling. Ze zijn een betrouwbare basis voor het toetsen van de competenties van de individuele werknemer, en om te bepalen wanneer een EVC-certificaat kan uitgereikt worden.
De sectoren spelen dus een zeer belangrijke rol, zowel bij loopbaanbegeleiding als bij Erkenning Verworven Competenties (EVC).
De paritaire aanpak moet garanties bieden voor een objectieve aanpak, waarbij de rechten van de werknemer en het collectieve karakter van loon- en arbeidsvoorwaarden maximaal gevrijwaard moeten blijven.
Erkenning van verworven competenties kan geen basis zijn voor een loonbeleid op sectoraal – of bedrijfsvlak. Het loon moet gekoppeld blijven aan de functie die uitgeoefend wordt . Hiertoe is de analytische functieclassificatie het meest aangewezen instrument. Wij mogen echter niet blind zijn voor het feit dat extracompetenties zich niet altijd vertalen in een aanpassing van de functieclassificatie ( zeker niet in een analytisch systeem dat per definitie geen rekening houdt met hoe een individu zijn functie uitoefent) of automatisch leiden tot promotie. De individuele aspiraties van werknemers uitgaande van een EVC-certificaat dienen daarom mee opgenomen te worden in de syndicale visievorming om ook ten aanzien hiervan een duidelijke beleidslijn uit te werken.
Een EVC-procedure kan in geen geval verplichtend worden gemaakt voor de werknemer. Het kan enkel met zijn goedkeuring gebeuren en de (competentie)balans is in alle gevallen vertrouwelijk. Enkel de eindresultaten kunnen, mits akkoord van de werknemer, overgemaakt worden aan de werkgever.
EVC mag ook geen instrument worden om werknemers af te stoten op basis van patronale eisen.
3. Opleiding in het kader van de onderneming
A. Bedrijfsinspanningen: stand van zaken
Resolutie 6: meer initiatiefrecht werknemer
Wij vinden dat levenslang leren een gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn van de overheid, de werkgever en de werknemer.
De overheid moet instaan voor het kader, het aanmoedigings- of flankerend beleid (financiële en andere randvoorwaarden), de coördinatie van het opleidingsbeleid i.s.m. de sociale partners, …
De werkgevers moeten investeren in menselijk kapitaal zonder dat dit negatieve gevolgen mag hebben voor de betrokken werknemers. Ze dienen daarbij gelijke kansen voor alle werknemers te creëren.
De werknemers dienen gebruik te maken van onder meer de paritair onderhandelde kansen die geboden worden, maar moeten vooral meer zelfbeschikking en initiatiefrecht krijgen over hun leertraject. Daartoe moeten opleidingen toegankelijk worden voor alle werknemers ( onafhankelijk van hun statuut, aantal arbeidsuren, handicap, flexibele arbeidssysteem, nacht- en ploegensystemen,…)
Resolutie 7: stimulering bedrijven
Opdat werknemers een leertraject zouden kunnen volgen, moeten de vakbonden inzicht krijgen in de opleidingsstrategieën van de onderneming, geconcretiseerd in het opleidingsplan. Opleiding is meer dan ooit een zaak, maar ook de verantwoordelijkheid van het sociaal overleg. Het middel om de gelijke kansen te waarborgen en het recht op opleiding te openen is een sectorale CAO waarin het recht op een minimaal aantal opleidingsdagen per werknemer per jaar wordt vastgelegd. Het ABVV roept via haar IPA eisenbundel de sectoren op om dit te realiseren.
Verdere uitwerking dient te gebeuren via onderhandelde opleidingsplannen op bedrijfsvlak. Bijzondere aandacht dient hier besteed aan de KMO’s, waarvoor navenante specifieke procedures op sectorvlak dienen te worden overeengekomen.
Daarnaast dienen sanctioneringsmechanismen te worden voorzien bij niet- naleving door de werkgever van het recht op opleiding. Om effectief van een recht te kunnen spreken , dient in dit kader voor elke werknemer te worden voorzien (suppletief) dat hij zich voor het uitoefenen van haar/zijn recht kan wenden tot externe opleidingsinstellingen, in elk geval tot de sectorale opleidingsfondsen.
De overheid moet consequent in haar subsidiëringbeleid de voorwaarde stellen van sociaal overleg over opleiding én de aanwezigheid van een opleidingsplan in het bedrijf. Een zelfde politiek moet ook gevoerd worden door de paritaire opleidingsfondsen.
Om de opleidingsinspanningen van ondernemingen en de gelijke kansen echt te kunnen inschatten moet de investering uitgedrukt worden per individuele werknemer. Een opleidingspaspoort per werknemer, met een jaarlijks krediet aan opleidingsuren, is hiervoor een geschikt instrument.
Om de syndicale controle te vergroten moet de sociale balans meer verplichte informatie bevatten over de opleidingsinspanningen ( inbegrepen de niet paritair beheerde middelen) en de evenredige deelname van de werknemers aan opleiding. Onze syndicale inspanningen moeten zich concentreren op het overal bekomen van een paritair overlegd opleidingsplan in de onderneming.
Het ABVV moet meer interne ondersteuning voorzien via vorming en uitwisseling van goede praktijkervaring om de afgevaardigden sterker te maken in de discussie over competentiebeheer, opleidingsplanning, … in de onderneming.
B. Het bedrijf als lerende omgeving
Resolutie 8: het bedrijf als lerende omgeving
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om van het bedrijf een lerende omgeving te maken waarin werknemers hun vaardigheden en competenties kunnen behouden en ontwikkelen. Dit is een wezenlijk onderdeel van duurzaam ondernemen. Het aanpassen van de arbeidsorganisatie, versterken van taakinhouden en een stimulerende werkomgeving zijn daarvoor essentieel. Werken aan kwaliteit van de arbeid bevordert dus het leerklimaat in een onderneming.
Daarbij moet specifiek vermeden worden dat de werkdruk en de stress stijgen bij de directe collega’s van zij die opleiding volgen. Bovendien moet men er zorg voor dragen dat het gaat over opleiding op maat van de mogelijkheden van de werknemer ( startkwalificaties, inhoud, tempo, tijdstip). Kwaliteitslabels voor goede ‘leerbedrijven’ is een piste die kan verkend worden, maar waarvan het nut duidelijk moet aangetoond worden.
Het alterneren van leren en werken voor werknemers is één van de uitdagingen voor de toekomst. Acties voor jobrotatie, peterschapsformules en on-the-job training dienen verder uitgebouwd te worden. Ook voor de integratie van kansengroepen is de lerende omgeving, met kwalitatieve begeleiding, immers cruciaal. Om bedrijven meer over de streep te trekken dient jobrotatie wel beter omschreven te worden. Een duidelijke definitie wat het concreet betekent voor een bedrijf (bijv. geïllustreerd door positieve ervaringen) is nodig. On-the-job training moet kwalitatief zijn en ingepast zijn in een opleidingsplan. Het kan niet als alibi dienen om makkelijk aan te tonen dat men toch iets doet aan opleiding.
4. Initiatief van de werknemer aanmoedigen
Resolutie 9: opleiding - in principe - tijdens de werkuren
Een werknemer die intekent op een opleiding die bedrijfsgericht is, moet dat sowieso tijdens de werkuren kunnen, zoniet moet minstens inhaalrust voorzien worden. De baten van de opleiding komen immers in eerste instantie het bedrijf ten goede.
Een werknemer die werkt aan zijn loopbaanplanning (via een centrum voor loopbaanbegeleiding, Erkenning Verworven Competenties) of die een opleiding volgt los van het bedrijfskader, in functie van zijn brede inzetbaarheid, neemt de geboden kansen op. De inspanningen hiervoor moeten - indien gewenst door de werknemer - tijdens de werkuren kunnen.
Een financiële tegemoetkoming in de loonkost is sowieso voorzien voor de werkgever via het BEV (betaald educatief verlof).
Resolutie 10: initiatief van de werknemer ondersteunen
Werknemers moeten voor ons volwaardige partners worden in het opleidingsbeleid. Zij moeten niet alleen initiatiefrecht krijgen, de individuele werknemersvraag moet ook financieel ondersteund worden door de overheid en door de sectoren, als gelijkwaardige partners, naast de werkgevers.
Om werknemersinitiatief financieel te ondersteunen stellen we drie systemen voor:
1. Uitbreiding van het recht op BEV, ook voor deeltijdsen, zodat op initiatief van de werknemer tijdens de werkuren opleiding kan gevolgd worden, met behoud van loon. Er is meer aandacht en ruimte nodig voor werknemers die in flexibele systemen werken. Zij moeten op een evenwaardige manier kunnen deelnemen aan opleidingen als collega’s in een regulier systeem.
BEV moet een individueel recht van de werknemer blijven om met behoud van loon naar vrije keuze opleidingen en/of bijscholingen te volgen, ook algemene opleidingen die eerder levensbreed dan werkgericht zijn. BEV mag niet verengd worden tot bijscholingen in functie van de job of van het bedrijf.
De sectoren dienen hun opleidingsaanbod open te stellen voor het initiatief van de werknemer, zodat zij met BEV een sectoropleiding kunnen volgen, zonder dat zij gestuurd worden door de werkgever. Loopbaanbegeleiding moet desgewenst kunnen met BEV.
2. Opleidingscheques voor werknemers, zodat de werknemer de opleidingskosten (cursusprijs, materiaal, enz.) kan betalen van opleidingen en loopbaanbegeleiding die hij of zij volgt op eigen initiatief. Daartoe moeten de bestaande opleidingscheques voor bedrijven deels geheroriënteerd worden naar de werknemers.
3. Een opleidingskrediet voor langdurige opleidingen, gebaseerd op het stelsel van het tijdskrediet, maar met een vergoeding die niet forfaitair is maar een percentage is van een geplafonneerd loon, gekoppeld aan een vastgestelde minimumuitkering ten voordele van de laagste inkomens ( zoals het systeem van de SZ- uitkeringen).
5. Evenredige participatie en gelijke kansen
Resolutie 11a: de overheid moet gelijke kansen op levenslang leren garanderen
Levenslang leren is niet alleen een recht voor actieven, maar ook voor niet-actieven in onze maatschappij
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om het recht op levenslang leren te garanderen ten aanzien van kwetsbare groepen en een actieplan in overleg met de sociale partners te ontwikkelen. Zonder die rol van de overheid dreigen zij immers in een situatie van sociale uitsluiting terecht te komen.
Vakbonden kunnen de rol van toeleider vervullen opdat lagergeschoolde ook gelijke kansen op levenslang leren zouden hebben en hun noden vertaald worden door aanpassing van het opleidingsaanbod en de leermethodieken.
Resolutie 11b: inspanningsverbintenissen van de bedrijven
Om gelijke kansen en evenredige participatie in de onderneming structureel te verankeren, zijn wij voorstander van een verplichte inspanningsverbintenis per onderneming, naar Nederlands model. Dit moet ook toelaten te controleren en te waarborgen dat er o.m. in KMO’s een effectief gelijke kansenbeleid gevoerd wordt.
Het afdwingen van gelijke kansen moet mogelijk zijn door positieve stimuli toe te passen op bedrijven die er effectief werk van maken (bijv. bij overheidsbestellingen)
Als vakbond nemen wij ons voor het personeelsbeleid van diversiteit in al zijn facetten (leren, aanwervingen, antidiscriminatie, combinatie gezin en arbeid,…) op de verschillende niveaus op te volgen: in de onderneming en in de sectoren.
IV. Duurzaam werken
1. De overheid en haar beleid
A. Het Vlaams economisch beleid
Resolutie 1: bedrijven sturen, niet enkel financieel steunen
Wij opteren voor een echt omgevingsbeleid, voor een reeks investeringen die ten goede komen aan de ontwikkeling van een hele streek, eerder dan van individuele bedrijven. Dat overstijgt het puur economisch beleid. Daarom pleiten we voor een geïntegreerde aanpak, die erop gericht is de omgeving van de bedrijven te verbeteren. Dit kan door het aanleggen van betere en duurzame infrastructuur (verkeersinfrastructuur, bedrijfsterreinen, …), door het versterken en verbeteren van de overheidsdienstverlening, door onderzoeksparken mee te financieren, door onderwijsinvesteringen,…
Bedrijven en instellingen moeten gestuurd worden, in plaats van enkel maar financieel gesteund. Gestuurd naar innovatie, door onderzoek en ontwikkeling en innovatiesamenwerkingsverbanden aan te moedigen en te belonen. Ze moeten gestuurd worden naar kwalitatieve doelstellingen en gezond management, via het voeren van een preventief bedrijfsbeleid. En ze moeten gestuurd worden naar duurzame productiemethoden, minstens BBT (BBT = best beschikbare technologie) dient gehaald te worden, en producten, door stimulansen voor rationeel energiegebruik, duurzame vervoerswijzen voor werknemers en goederen, enz.
Bedrijven die de wetgeving niet respecteren moeten financieel gestraft worden: door het opleggen van boetes, het terugvorderen van gekregen overheidssteun of beide. De overheid moet hiertoe de nodige instrumenten ontwikkelen (creëren van databank verstrekte overheidssteun).
Controle is op verschillende vlakken nodig: binnen het bedrijf moeten Ondernemingsraad of CPBW handtekeningrecht hebben. Dit laatste ter versterking van de syndicale controle en teneinde te waarborgen dat er discussie kan zijn omtrent de motivatie en de juiste aanwending van de gevraagde subsidies.
Bovendien moet er door de overheid werk gemaakt worden van een controleorgaan dat toezicht houdt op de toepassing van de verworven subsidies. Tenslotte moeten de verschillende bevoegde inspectiediensten van de diverse ministeries (ook van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid) met elkaar samenwerken. Versterken van de controle op het terrein betekent meer mensen en middelen om de controles en vaststellingen te verrichten en sancties mogelijk te maken.
B. Het ruimtelijke ordeningsbeleid
Resolutie 2: werken aan verweving
In het belang van de werknemers moet het beleid inzake ruimtelijke ordening meer werk maken van de concrete organisatie en realisatie van de verweving van activiteiten.
In de eerste plaats moet preventief gewerkt worden: bij het ontwerpen van nieuwe ruimtelijke plannen (structuurplannen, gewestplanwijzigingen, BPA’s, ...) moet veel meer dan vroeger aandacht worden geschonken aan het harmonisch samen en naast elkaar bestaan van verschillende activiteiten. Overleg en inspraak (b.v. in de GECORO’s, waarvan de adviezen meer moeten opgevolgd worden en waar we als ABVV onze verantwoordelijkheid moeten opnemen) zijn daarbij van in het begin een noodzaak. Ook bijkomende voorwaarden in de milieuvergunning kunnen een preventief effect hebben tav. het optreden van hinder. En tenslotte moeten de lokale overheden bij hun industrieel vestigingbeleid een brede (en duurzame) afweging maken waarbij ook aandacht voor overlast een rol speelt.
Voor de aanpak van bestaande, concrete probleemsituaties moet de overheid structureel werk maken van overleg, opvang bij hinder en conflictbeheersing daar waar naast elkaar ingeplante functies elkaar hinderen. Dat is in het belang van de leefkwaliteit én van de bedrijven.
We verwachten dat de overheid hier op gemeentelijk en/of provinciaal niveau initiatieven neemt (oprichten van een bemiddelingsloket, samenbrengen van partijen, ondersteunen van overleg, contacten met de verantwoordelijke overheidsdiensten inzake milieu en ruimtelijke ordening, enz…). Deze aanpak moet gewestelijk ondersteund en omkaderd worden.
Op korte termijn moet sneller en beter werk worden gemaakt van de problematiek van zonevreemde activiteiten, via de reglementering en de uitvoering van de planning. Sociaal-economische belangen staan hier op het spel en moeten meegenomen worden in het beleid, maar tegelijk moeten ook de nodige stappen gezet worden om de leefkwaliteit in de blijvend verweven situaties te garanderen.
Een algemene aanpak voor de kleinere problemen kan hier soelaas bieden, maar voor de grote knelpunten moet volgens ons de weliswaar tragere, maar meer kwaliteitsgaranties biedende lokale weg van sectoraal BPA gevolgd worden.
C. Het mobiliteitsbeleid
Resolutie 3: een geïntegreerd vraag- en aanbodsgericht mobiliteitsbeleid
De overheid maakt werk van het aanbodsbeleid: ze legt nieuwe infrastructuur aan, verhoogt de verkeersveiligheid, verbetert het openbaar vervoer, enz.
Maar dit zal niet volstaan om de problemen op te lossen.
De vraag naar (auto-)mobiliteit van zowel het personen- als het goederenvervoer (inclusief het JIT-principe) zal moeten aangepakt worden. Dit betekent dus ook het aanmoedigen van het goederenvervoer per trein en per schip. Dit vergt voor zowel het goederen- als het personenvervoer allicht de inzet van prijsinstrumenten, zoals een kilometerheffing, tolheffing, verhoogde parkeerkosten, rekeningrijden en/of variabilisering van kosten (minder dure aankoop, maar hogere kosten voor gebruik), naast vermindering van het aantal parkeerplaatsen in de binnensteden (maar wel carpoolparkings en overstapinfrastructuur bij openbaar vervoerknooppunten) en infrastructuur die auto-onvriendelijker wordt.
Het gebruik van gedragssturende heffingen om wegvervoer van personen- en in het bijzonder van goederen te beperken, kan voor ons enkel op voorwaarde dat volwaardige alternatieven beschikbaar zijn en dat de mobiliteitsongelijkheid er niet door toeneemt.
Wat het personenvervoer betreft, betekent dit meer, sneller en comfortabeler openbaar vervoer, meer en veiligere fietspaden, ondersteuning van bedrijfsvervoerplannen, enz. Prijsinstrumenten mogen ook niet leiden tot vergroting van de verkeersarmoede. De lagere inkomensgroepen (inclusief de niet-actieven) mogen dus niet het slachtoffer worden van zulk een prijsbeleid.
Daarom moet ook de opbrengst van heffingen – minstens ten dele – aangewend worden voor de bestrijding van mobiliteitsongelijkheid. De infrastructuur en verkeersvoorzieningen moeten minder (vracht)auto gericht worden. Stringent parkeerbeleid moet autogebruik in steden en ondernemingen ontmoedigen. Het uitdelen van bedrijfswagens moet ontmoedigd worden, tenminste beperkt tot die gevallen die absoluut professioneel noodzakelijk zijn, en wordt, in alle andere gevallen (beloning, alternatieve verloning,…), liefst vervangen door een mobiliteitsbudget voor werknemers.
Het Vlaams ABVV zal een voorbeeldrol vervullen inzake het stimuleren van duurzame vervoerswijzen bij het organiseren van manifestaties en vergaderingen.
Resolutie 4: woon-werkverkeer, een syndicaal aandachtspunt
Het is onze verantwoordelijkheid tav de werknemers om bedrijven aan te zetten een mobiliteitsbeleid te voeren. Het woon-werkverkeer dient als een permanent thema van het sociaal overleg in de onderneming erkend te worden. Mobiliteit moet als een integraal onderdeel van de bedrijfsactiviteit erkend worden, en als vast aandachtspunt in de managementbeslissingen doorspelen.
Daarbij moet de mobiliteit als een breed ingevuld syndicaal thema beschouwd worden, zodat ook elementen als kinderopvang meegenomen kunnen worden.
Bij het nemen van maatregelen om het complexe probleem van het woon-werkverkeer te verbeteren moet steeds rekening gehouden worden met aspecten van arbeidsorganisatie, zoals flexibiliteit, collectieve vervoerstijden, ploegarbeid, en de opeisbaarheid door de werkgever.
De dienstensectoren (schoonmaak, bewaking,…), de bouw, de transportsector en de openbare diensten vragen specifieke oplossingen. Zo zijn bepaalde bestaande vergoedingssystemen achterhaald omdat er geen rekening gehouden wordt met de verplaatsingstijd.
Wij vinden het niet nodig – zeker niet in kleinere bedrijven – om steeds de zware en langdurige procedure van een bedrijfsvervoerplan integraal te doorlopen. Op korte termijn kunnen in vrijwel alle bedrijven enkele beperkte maatregelen afgesproken worden die toch een belangrijke bijdrage kunnen leveren tot betere werkomstandigheden d.m.v. een verbetering van het woon-werkverkeer. We denken hierbij o.a. aan fiets- en carpoolpromotie, en maatregelen om de arbeidsorganisatie en het openbaar vervoersaanbod beter op elkaar af te stemmen.
Voor grotere bedrijven blijft een volwaardig bedrijfsvervoerplan de grondigste aanpak van het probleem van het woon-werkverkeer. Bedrijfsvervoerplannen op niveau van bedrijvenzones bieden een zeer groot potentieel en moeten met specifieke maatregelen gestimuleerd en ondersteund worden.
De werkgeverstussenkomst in het openbaar vervoer moet in alle bedrijven naar 100 % opgetrokken worden. Wanneer evenwel geen beroep kan gedaan worden op openbaar vervoer om redenen van arbeidsorganisatie of ligging van het bedrijf, dan dienen kosteloze alternatieven te worden aangeboden.
Gegeven de complexiteit van dit probleem zullen wij alvast onze militanten en delegees verder moeten ondersteunen.
D. Het milieubeleid
Resolutie 5: het historisch milieupassief wegwerken en de schoonmaak financieren
Voor ons is het geenszins vanzelfsprekend dat de kosten voor de inhaalbeweging en voor de opruiming van historische vervuiling volledig zouden gedragen worden door de gemeenschap, wel integendeel.
Voor het opruimen van de historische bodemvervuiling van industriële oorsprong vragen we dat er gewerkt wordt aan een fondsvorming waarbij op collectieve en solidaire wijze wordt bijgedragen door de vervuilende sectoren, naast de inzet van gemeenschapsmiddelen. Dit kan op sectorvlak georganiseerd worden, of sectoroverschrijdend. Bij kwaad opzet moet de saneringsfactuur uiteraard steeds ten laste van de vervuiler blijven. Voor de saneringsaanpak zien we ook een belangrijke rol weggelegd voor plaatselijke, regionale intercommunales.
Voor de inhaalbeweging in de waterzuivering willen we dat alle watervervuilers blijven meebetalen (via de heffingen) tot op het ogenblik dat de inhaalbeweging is gerealiseerd. Pas dan kan voor ons een volledige hervorming van de heffingen naar zuiver regulerende doelen plaatsvinden.
Resolutie 6: het overheidsbeleid versterken om eco-efficiëntie te organiseren
De doelgroepen van het milieubeleid, zoals bijvoorbeeld de industrie, moeten milieu en rationeel energiegebruik meer als doelstelling integreren in hun eigen beleid. Maar zeker in het licht van de grote uitdagingen voor de komende jaren (het voldoen aan internationale verplichtingen, het organiseren van een kwalitatieve sprong inzake eco-efficiëntie) zijn we ervan overtuigd dat ook de instrumenten in het milieu- en het economisch beleid van de overheid hiertoe zullen moeten versterkt worden. Het Vlaams ABVV moet erover waken dat de overheid deze rol kan garanderen.
We verwachten dus in het milieubeleid goede regels en stimulansen die tot investeringen en vernieuwingen aansporen, een stevige wettelijke aansprakelijkheidsregeling voor milieuschade, striktere en meer handhaving en controle, en een wetenschaps- en innovatiebeleid dat helpt de grote vernieuwingen mee te realiseren. Wanneer vernieuwingen van processen of producten niet volstaan, moet de discussie over reconversie gevoerd worden. Alternatieve tewerkstelling moet dan, onder begeleiding van de overheid, planmatig aangepakt worden, en dit met bijzondere aandacht voor laaggeschoolden. Het VESOC moet daarbij dan zijn rol opnemen. Bovendien moet de Vlaamse overheid alle beschikbare middelen inzetten - ook inzake participaties – om in dat geval een actief reconversiebeleid te voeren.
Er moet tenslotte extra aandacht gaan naar rationeel energieverbruik. Dit blijft essentieel, zeker in het kader van afbouw van kernenergie.
En uiteraard mogen voor ons de innovaties en procesverbeteringen die milieudoelen willen realiseren niet tegelijk leiden tot slechtere arbeidsomstandigheden: meer eco-efficiëntie mag niet leiden tot slechtere kwaliteit van de arbeid!
Resolutie 7: een sterke overheid om het milieubeleid te schragen
Als socialistische vakbond verwachten we van de overheid een sturende rol in de maatschappij en ten aanzien van de economie. Dat geldt ook bij het milieubeleid. In de eerste plaats is het de taak van de overheid om de milieudoelstellingen uit te zetten en de randvoorwaarden te bepalen waarbinnen gewerkt kan worden.
Voor de uitvoering van de milieutaken kan de overheid, waar dit wenselijk is, een beroep doen op de privé-sector. Samenwerking met de privé moet voor ons echter voldoen aan een aantal strikte randvoorwaarden: het mag niet ten koste gaan van beleidsdoelstellingen, het risico moet correct verdeeld worden tussen privé en overheid en de overheid moet haar rol als toezichthouder ten volle waarnemen.
Samenwerking met de privé-sector mag er evenmin toe leiden dat de winstgevende taken naar de privé-sector gaan en dat de overheid alleen de verlieslatende taken moet opnemen.
Ongeacht de uitvoerder moet ook in het milieubeleid een universele dienstverlening gegarandeerd worden (bijv. én kwaliteitsvolle én betaalbare huisvuilomhaling). Dat betekent dus dat iedereen recht heeft op een kwalitatieve dienst tegen een aanvaardbare prijs.
In het milieubeleid spelen bij de prijsbepaling van diensten steeds twee aspecten een rol : enerzijds het signaal naar milieuvriendelijk gedrag (wie meer vervuilt moet meer betalen, bijv. voor elke extra huisvuilzak), en anderzijds sociale rechtvaardigheid en betaalbaarheid (dus we zijn tegen eenzelfde forfaitaire huisvuilbelasting voor iedereen, ongeacht diens inkomen; maar we zijn ook tegen onbetaalbaar dure huisvuilzakken). De uiteindelijke prijs die men aan de burgers aanrekent moet dus met beide aspecten evenwichtig rekening houden. En wanneer het nodig is om sociale redenen, moet voor bepaalde groepen in de samenleving (of zelfs voor iedereen) een basisminimumpakket gratis zijn (dus een bepaald aantal gratis zakken). Controle op de uitvoering van het beleid, en op het respecteren van de regelgeving, blijft verder voor ons absoluut noodzakelijk. Dit impliceert alvast het versterken van de rol van de inspectiediensten, die slechts efficiënt kunnen optreden wanneer ze beschikken over voldoende mensen en middelen, teneinde ook en vooral preventief te kunnen optreden i.p.v. repressief. Efficiëntie betekent ook transparantie : burgers vinden namelijk dikwijls hun weg niet in het kluwen van diensten en bevoegdheden.
Dit alles vergt een sterke overheid, met een competent en goed uitgebouwd kader van statutair personeel , die een evenwaardige partner in macht en expertise is. De milieuoverheidsdiensten moeten dus instaan voor het ontwikkelen en aanwenden van de noodzakelijke knowhow en vaardigheden. Deze diensten moeten daarom ook voorzien zijn van adequate apparatuur.
Het vraagt ook een sterke en doelmatige, maar daarom niet omvangrijkere wetgeving met krachtige instrumenten om de responsabilisering effectief af te dwingen.
2. Het bedrijfsleven: maatschappelijk verantwoord ondernemen in Vlaanderen?
Resolutie 8: een syndicale houding ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen
Als een bedrijf zichzelf ‘verantwoord’ noemt, krijgen we als vakbond een bijkomend argument in handen om het op zijn verantwoordelijkheden te wijzen en deze af te dwingen. Maar pas wanneer we erin slagen de werknemers als primaire belanghebbenden naar voor te schuiven en de toepassing van maatschappelijk verantwoord ondernemen niet beperkt wordt tot de grote bedrijven, kan maatschappelijk verantwoord ondernemen voor de vakbond een nieuw instrument van economische en sociale democratie vormen.
Daarom moeten we als Vlaams ABVV een eigen invulling geven aan het begrip en eigen voorwaarden formuleren waaraan maatschappelijk verantwoorde ondernemers moeten voldoen.
Maatschappelijk verantwoord ondernemen betekent, vanuit onze analyse die de tegenstelling arbeid-kapitaal erkent, voor ons in elk geval dat de sociaal-economische democratie - overleg en inspraak over sociale, economische en ecologische thema’s in het bedrijf - ernstig genomen wordt.
De rol van de Ondernemingsraad en het CPBW is desbetreffende belangrijk. Waar werkgevers en overheid over stakeholdermanagement praten, moet van syndicale zijde de arbeiderscontrole in deze context geactualiseerd worden. Transparantie en controle moet de doelstelling zijn. Hiervoor zullen we ook andere maatschappelijke groepen (consumentenorganisaties, milieu- en derdewereldorganisaties, …) moeten erkennen als bondgenoten, zowel op het niveau van het bedrijf als in de maatschappelijke discussie over verantwoord ondernemerschap en met behoud van ieders eigenheid.
Als Vlaams ABVV moeten we dan ook duidelijk naar buiten treden met de wil tot samenwerken waar mogelijk. Onze leden dienen ook op dit vlak beter gesensibiliseerd te worden; een ruime en bewegende vakbond zal met een open houding ook verder groeien.
Het Vlaams ABVV zal dus in discussies inzake verantwoord ondernemen in de eerste plaats de belangen van de werknemers verdedigen.
Ook de overheid heeft een cruciale rol te vervullen ten aanzien van Verantwoord Ondernemerschap. Zo zijn ondernemingen pas ‘verantwoord’ indien ze het beter doen dan wat de wet hun oplegt. Verantwoord ondernemen kan alleszins niet in de plaats van huidige en toekomstige wetgeving komen. Ze kan deze hoogstens aanvullen. Van de overheid verwachten we dat ze het erkennen van ‘verantwoorde ondernemingen’, door ze een label toe te kennen, strikt bewaakt. Een label van ‘verantwoorde onderneming’ moet impliceren dat de onderneming aan de drie deelaspecten ervan tegelijkertijd voldoet: het sociale, economische en ecologische. De erkenning dient te gebeuren op basis van afdwingbare engagementen en regelmatige controles. Het mag niet het zoveelste label tussen de andere, soms waardeloze labels, worden.
Op beleidsniveau moeten we als vakbond een rol kunnen spelen in het mee bepalen van de inhoud van deze labels.
Op bedrijfsniveau willen we betrokken worden bij de controle op de correcte toepassing ervan.
3. Onze interne vakbondswerking optimaliseren
Resolutie 9: de syndicale bedrijfswerking verder verbreden
We moeten, daar waar mogelijk en in functie van de ontwikkelde syndicale slagkracht, onze bedrijfswerking rond thema’s als milieu, ruimtelijke ordening, energie en mobiliteit verder uitbouwen en veralgemenen. Dit vereist een verbreding van de klassieke thema’s binnen de bedrijfsmuren, maar ook verder kijken, stroomopwaarts en stroomafwaarts van de eigen productie (dus buiten het bedrijf, en soms tot in de derde wereld, waar veel grondstoffen en primaire producten vandaan komen).
We zullen die werking meenemen in de traditionele syndicale bedrijfsorganen: het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk, de Ondernemingsraad en de Syndicale Afvaardiging, en milieu daar op de agenda plaatsen.
We moeten ernaar streven om onze syndicale visie in het gehele bedrijfsbeleid (ook het investeringsbeleid) te laten doorwegen. Onze uitgangspunten moeten blijven dat wij geen chantage tussen milieu en tewerkstelling aanvaarden. Een evenwicht tussen deze twee moet de grondslag van onze werking zijn. Dit alles vergt maximale informatiedoorstroming, de basis voor een goede syndicale werking. Deze werking dient voortdurend geëvalueerd te worden, zeker daar waar een geïntegreerde aanpak mogelijk is.
We moeten niet enkel inhoudelijk verbreden: we moeten onze syndicale werking ook qua organisatie en aanpak veel meer integreren. Sociale, economische en ecologische thema’s moeten tegelijk en geïntegreerd aangepakt worden, onze delegees in verschillende organen moeten meer samenwerken: dat is pas duurzaam werken! Bovendien , gezien de nieuwe vormen van bedrijfsorganisatie (werk aan derden, uitzendarbeid, outsourcing, …) is netwerk- of koepelsyndicalisme essentieel in een syndicale werking die aandacht heeft voor duurzaam werken. Dit vergt dus een goede samenwerking over de syndicale grenzen heen. Ook hier is een grondige discussie noodzakelijk over de rol van het gewest en de rol van de centrales, die samen en complementair aan elkaar de brede syndicale aanpak verder moeten uitbouwen.
Ook hier is een goede en evenwichtige uitgewerkte ondersteuning van de militanten van levensbelang, opdat zij op hun bedrijven de eerstelijnsdienstverlening rond deze thema’s snel en efficiënt zouden kunnen aanpakken.
We moeten voor die geïntegreerde aanpak de nodige syndicale werkmethodes ontwikkelen en dus ook de invulling van het begrip ‘arbeiderscontrole’ in een actueel daglicht plaatsen. Daarbij moeten we de bestaande instrumenten meer onder de aandacht brengen : het Jaarlijks Actieplan, het Globaal Preventieplan, milieuzorg, milieuplannen en- rapportage, enz.
Resolutie 10: met onze structuren de bedrijfswerking ondersteunen
Binnen de syndicale structuren moeten we de ondersteuning van de bedrijfsmilitanten verder uitbouwen, voor de aanpak van de thema’s milieu, ruimtelijke ordening, mobiliteit, EFI en energie.
We willen hierbij uitgaan van een getrapt systeem, waarbij op het niveau van gewesten en/of centrales de basisdienstverlening wordt verzekerd aan militanten en delegees.
Alvast de beroepssecretaris heeft een cruciale rol inzake informatiedoorstroming en sensibilisering, en inzake eerste opvang en doorverwijzing bij problemen.
Door een lokale (milieu)werking zouden verder, naast de delegees, ook de werknemers uit bedrijven zonder syndicale vertegenwoordiging bij het milieuthema kunnen betrokken worden. Een gewestelijke interprofessionele aanpak en coördinatie versterkt de integratie van het concept binnen de syndicale bedrijfswerking door professionele en interprofessionele vorming en ondersteuning van militanten (dienst ondernemingen) op elkaar af te stemmen. Samenwerking tussen verschillende bedrijven en sectoren is tenslotte essentieel om het concept ‘duurzaam werken’ in de praktijk te realiseren.
Door de diensten van de Vlaamse Intergewestelijke, zal de ondersteuning van gewesten en centrales blijven gebeuren, zowel systematisch (met informatie en opleiding) als op vraag rond specifieke complexe probleemdossiers.
Deze ondersteuning zal op een meer structurele wijze uitgebouwd worden, en ook versterkt worden rond actuele thema’s zoals milieu en gezondheid en de aanpak van hinder op lokaal vlak. Deze ondersteuning uitbouwen vergt ook mensen en middelen, op de diverse niveaus om dit mogelijk te maken.
Waar dit mogelijk en wenselijk is, zullen we (zoals in het verleden) ook op de expertise van de vzw Arbeid en Milieu een beroep doen. Steun aan Arbeid en Milieu moet ook een engagement van de structuur en militanten inhouden om de ‘producten’ van deze samenwerking in onze syndicale werking te integreren.
We moeten tenslotte ook onze eigen actiemiddelen screenen op hun milieuaspecten (bijv. verbranden van autobanden).
Resolutie 11: de subregionale syndicale werking rond milieu en ruimtelijke ordening met informatie ondersteunen
De ondersteuning rond specifieke regiogebonden materies van onze gemandateerden in gemeentelijke milieuraden en GECORO’s zal verzekerd worden door de gewesten. De gewestelijke ABVV afdelingen zijn immers de draaischijf voor de ondersteuning en het niveau waar de standpunten moeten op elkaar afgestemd worden. We pleiten voor ‘netwerken’ van ABVV militanten die plaatselijk in hun gemeente actief zijn (GECORO, Mina-Raad, maar ook PWA, lokale werkwinkelfora).
De Vlaamse Intergewestelijke zal de gewesten hiertoe ondersteunen met informatie en wanneer nodig met opleiding.
Er is nood aan een duidelijke ABVV-visie voor alle gemandateerden die, namens het ABVV, in deze organen zetelen.
Ze riskeren namelijk via dit mandaat soms de belangen van plaatselijke bedrijven – mogelijk het bedrijf waar ze zelf werken – te doorkruisen.
Verder zal vanuit het Vlaams ABVV rechtstreekse informatiedoorstroming naar en uitwisseling van ervaringen tussen onze leden in de GECORO’s op een kwalitatieve wijze georganiseerd worden (b.v. via een elektronische nieuwsbrief).
Lees ook
- Congres 2002: Het ABVV in een veranderend Vlaanderen (Standpunten - 2002)
- Congres 2002: Het ABVV in een veranderend Vlaanderen (Onze visie - Congressen)
- Congres 2002: Het ABVV in een veranderend Vlaanderen (Onze mening)
- Congres 2006: Weer Werk (Persberichten - 2006)
- Congres 2006: Weer Werk (Onze visie - Congressen)
- Congres 2010: ontwerpteksten (Publicaties)
- Congres 2010: ontwerpteksten (Onze visie - Congressen)