Vlaams klimaatplan 2006-2012
Standpunt Vlaams ABVV
13/06/06 - Het klimaatdossier behoort in België tot een gedeeld takenpakket tussen de federale overheid en de gewesten. Elk niveau moet voor zijn eigen bevoegdheden de maatregelen bepalen die nodig zijn om de Kyoto-doelstelling te halen. Voorliggend klimaatplan is de invulling van het Vlaamse aandeel in die verplichtingen. Het nationaal klimaatplan op zijn beurt is de bundeling van de maatregelenpakketten (plannen) van de gewesten en de federale overheid.
I. Situering
• Vlaams klimaatplan binnen Belgisch klimaatbeleid
De verdeling van de Kyoto-doelstelling binnen België werd vastgelegd in maart 2004. Het Vlaams Gewest moet een reductiedoelstelling van broeikasgassen realiseren van – 5,2 % (tegenover het Waals gewest : - 7,5 %, Brussel : + 3,475 %) in de periode 2008-2012 ten opzichte van het basisjaar 1990. Ter herinnering : de Belgische doelstelling bedraagt – 7,5 %. De algehele Kyoto-doelstelling bedraagt – 5 % ten opzichte van 1990.
Concreet betekent de Vlaamse doelstelling van – 5,2 % het volgende :
Vlaanderen had in 1990 een totaaluitstoot van 87,771 megaton CO2-equivalenten (dus broeikasgassen). Wanneer er geen Vlaams klimaatbeleid zou gevoerd worden, schat men dat deze uitstoot in 2010 zou toenemen tot 103, 18 megaton, zijnde een stijging van 18 % ten opzichte van 1990. Nochtans moet Vlaanderen zijn uitstoot terugdringen met – 5,2 %; de uitstoot mag dan in 2010 nog maar 83,436 megaton bedragen. Er is dus een kloof te dichten van 23 % (of 19,7 megaton per jaar)!
• Vlaamse klimaatplannen : eerdere standpunten Vlaams ABVV
In het najaar van 2002 maakten we een standpunt op m.b.t. het eerste Vlaams klimaatplan (2002-2005). Volgende aandachtspunten kwamen daarbij op de voorgrond :
een ambitieus klimaatbeleid is nodig, ook na 2012. Lange termijnplanning dringt zich op;
niet enkel vrijwillige maatregelen, maar ook verplichtingen opleggen;
een rechtvaardige verdeling van de lasten is een basisvoorwaarde;
alle op KT rendabele investeringen in eigen land moeten uitgevoerd worden;
flex mex (rechten in het buitenland aanschaffen ipv in eigen land de doelen te halen) is alleen als aanvulling aanvaardbaar. Voorkeur is dan voor CDM (projecten in derde wereld) mits ook baten voor de lokale bevolking;
convenanten (zoals benchmarkingconvenant) met de industrie zijn aanvaardbaar, maar mits transparantie over doelen en resultaten op beleidsniveau en op bedrijfsniveau; en mits ambitieus doel. Voorafnames en dus afwentelingen op andere doelgroepen zijn niet aanvaardbaar.
Deze lijnen zijn in de loop van de voorbije jaren verder verfijnd en geoperationaliseerd, maar blijven in essentie ook van toepassing voor een beoordeling van het nieuwe plan.
• Voorbereiding nieuw plan; betrokkenheid Vlaams ABVV
Een breed draagvlak is absolute noodzaak wanneer men een ambitieus klimaatbeleid wil voeren en ook resultaten halen. Zo’n draagvlak creëren begint alvast bij het betrekken van de maatschappelijke groepen. Via de SERV hadden we deze boodschap reeds meerdere malen uitgestuurd. Ze werd medio 2005 opgepikt door milieuminister Peeters, die inging op onze vraag om een zgn. Vlaams klimaatconferentie te organiseren. Een tiental verschillende werkgroepen kwam meerdere keren bijeen om rond specifieke deelthema’s maatregelen uit te werken en voor te stellen. Het resultaat was een bundel van 365 consensusvoorstellen voor het Vlaams klimaatbeleid. Aan die werkgroepen werd actief geparticipeerd door ABVV-ers uit gewesten, centrales en diensten van het Vlaams ABVV. En met succes : in de eindteksten vinden we meerdere voorstellen terug die door ons werden aangebracht en van bijzonder syndicaal belang zijn. Daarnaast had onze inbreng ook een intern sensibiliserend effect : klimaat werd op meerdere niveaus binnen onze structuren een item om rond te werken.
Minister Peeters beloofde met de voorstellen maximaal rekening te zullen houden bij de opmaak van het nieuwe plan. De verwachtingen waren dus hooggespannen.
• Inhoud nieuw plan
Het nieuwe plan legt maatregelen op aan vijf grote sectoren in Vlaanderen (mobiliteit, gebouwen, energieproductie, industrie en landbouw), en omvat daarnaast ook horizontale initiatieven met betrekking tot onderzoek en innovatie, sensibilisering, inzet van flexibiliteitsmechanismen, adaptatie (aanpassing van Vlaanderen aan de klimaatwijziging) en voorbeeldrol van de overheid.
Cijfermatig vatten we het plan samen in onderstaande tabel :
|
verwachte uitstoot 2010 zonder klimaatbeleid |
103,18 megaton CO2-eq/jaar |
|
toegelaten uitstoot 2010 volgens Kyoto |
83,436 megaton CO2-eq/jaar |
|
verwachte uitstoot 2010 met uitvoering plan |
86,651 megaton CO2-eq/jaar |
|
tekort 2010 ten opzichte van toegelaten uitstoot |
3,2 megaton CO2-eq/jaar |
Conclusie : de aan Vlaanderen opgelegde doelstelling wordt met interne Vlaamse maatregelen alleen niet gehaald. Er blijft een resterende reductiekloof na de volledige uitvoering van de voorziene intern maatregelen. Deze kloof bedraagt 3,2 CO2-eq per jaar of 16 megaton CO2-eq. voor de volledige looptijd van de Kyotoperiode (6 jaar). Deze kloof zal volgens het plan gedicht worden met de aankoop van emissierechten in het buitenland.
De verdeling van de binnenlandse inspanningen over de sectoren ziet er als volgt uit :
|
sector |
nodige reductie per sector tov. 1990 |
bijdrage in de totale Vlaamse reducties |
|
elektriciteitsproductie |
- 48 % |
35 % |
|
industrie |
+ 17 % |
27 % |
|
gebouwen |
+ 27 % |
7 % |
|
transport |
+ 9 % |
25 % |
|
landbouw |
- 26 % |
6 % |
|
totaal |
|
100 % |
Toelichting : dit betekent dat –bijvoorbeeld- de landbouwsector zijn broeikasgassen met 26 % moet terugschroeven. Op die manier draagt de sector bij aan het halen van 6 % van de globale Vlaamse doelstelling.
De volledige inhoud van het nieuwe plan kan geraadpleegd worden op de website : http://lucht.milieuinfo.be/uploads/060512_ontwerp_VKP_2006-2012.pdf.
II. Standpunt Vlaams ABVV
Algemene opmerkingen :
• Geen moedig plan
Positief is dat voorliggend plan goed is voorbereid door de administratie, en een langere termijnvisie dan het vorig plan uitstraalt (omvat de hele Kyotoperiode). Maar verder zijn er weinig positieve algemene punten.
Omwille van de grote uitdagingen (zie overzicht cijfers hierboven) is een ambitieus en zelfs visionair plan nodig, maar dit is geenszins het geval. Het plan blijft namelijk een bundeling van deels initiatieven die al lopende zijn of waarvoor reeds eerder de beslissing was genomen, en anderzijds overwegend voluntaristische maatregelen (het woord ‘stimuleren’ is alomtegenwoordig). We hebben dan ook sterk de indruk dat dit inderdaad een bottom-up verzamelplan is : we leggen alles bijeen wat we al hebben of wat haalbaar lijkt, en we zien wel waar we geraken.
Bij de planopmaak was overigens een belangrijk deel van de beschikbare emissieruimte reeds ingenomen (en dus voorafgenomen), want het zgn. allocatieplan (het toewijzingsplan voor verhandelbare emissierechten, zie ook bureau-info 51.3/001 dd. 23 mei ll.), had een maand eerder reeds meer dan 38 megaton van de 83 megaton in Vlaanderen toegelaten CO2 emissies toegewezen aan een deel van de industrie en de elektriciteitsproducenten (zie ook verder).
Tenslotte blijkt dat het plan zal resulteren in een blijvende kloof met de Vlaamse Kyotodoelen. Er wordt rechtstreeks voor geopteerd om die blijvende kloof (die overblijft na optellen van alle ‘haalbare’ maatregelen) met de aankoop van rechten in het buitenland, dus via flex mex, te dichten.
Al deze elementen leiden ertoe dat het ambitieniveau van het plan van ons een onvoldoende krijgt.
• Geen onderbouwing van de keuzes
In de eindtekst van de klimaatconferentie staat dat op zijn minst ‘alle maatregelen die goedkoper zijn dan het aankopen van rechten in het buitenland, ook effectief in Vlaanderen moeten genomen worden. Dat was voor ons een minimum : wij vinden immers dat aankoop in het buitenland de laatste optie moet zijn. Toch respecteert het plan niet eens de minimumvraag. Meer zelfs : we hebben er geen enkel idee van op welke basis de grote keuzes (bijv. hoeveel doen we in Vlaanderen, hoeveel in het buitenland) noch de detailmaatregelen geselecteerd zijn. Nergens in het plan wordt op basis van een afweging gemotiveerd waarom men een bepaalde maatregel voorstelt, en een andere niet.
Meer specifiek hadden we graag een analyse gezien van de terugverdientijd van de voorgestelde maatregelen én van de kostenefficiëntie :
De terugverdientijd van heel wat maatregelen die het energieverbruik verminderen is immers vaak kort, en is zo een extra stimulans om die maatregelen ook effectief in te voeren. Wij hebben de indruk dat er nu maatregelen nièt zullen genomen worden die nochtans op korte termijn terugverdiend zouden worden.
De kostenefficiëntie anderzijds zou ons moeten een zicht geven op de kostprijs van de voorgestelde maatregelen naargelang hun resultaat inzake een verlaging van de CO2-emissies; nu worden er mogelijks, zonder dat we het weten, zeer kostenefficiënte maatregelen nièt genomen en mogelijks duurdere wél.
Tenslotte is er ook geen afweging naar de sociale aanvaardbaarheid van de voorstellen gebeurd. Ook dàt is nochtans een basisvoorwaarde voor een goed klimaatbeleid.
• Onze grote aandachtspunten krijgen weinig weerklank
De eindtekst van de klimaatconferentie omvatte onze belangrijkste verzuchtingen tav. het klimaatbeleid. Er werd o.m. aandacht gevraagd voor een open en transparant klimaatbeleid op alle niveaus, nadruk op inspanningen in eigen land, behoefte aan visie rond flex mex, een groot initiatief inzake energie-efficiënt wonen, investeren in de bedrijven, en werk maken van toekomstgerichte innovatie in energie (zie ook verder in deze nota) . Geen van onze aandachtspunten is als dusdanig in het plan terug te vinden (hetzij enkele fragmenten); er wordt daarvoor geen motivatie gegeven. Dezelfde bemerking geldt voor de meerderheid van de andere voorstellen uit de Klimaatconferentie. Dit is enerzijds een aanfluiting van de inzet van de maatschappelijke groepen in de Klimaatconferentie. Anderzijds wordt zo ook een kans gemist op een ambitieus en tegelijk sociaal vooruitstrevend plan.
• Debat financiering afwezig
Het klimaatbeleid kost geld, én aan de overheid, én aan de economische sectoren, én aan de huishoudens. Hierboven stelden we reeds dat het debat over kostenefficiëntie en terugverdientijd afwezig zijn in het plan.
We moeten in het bijzonder waakzaam zijn voor de financiering van de aankoop in het buitenland van emissierechten, via de zgn. flex mex. Vlaanderen zal de kloof van 16 megaton CO2 invullen met de aankoop van deze rechten. Wat hiervan de kostprijs zal zijn, hangt af van de marktprijs van emissierechten en van de keuzes tussen types flex mex. Aan een (momenteel realistische) prijs tussen 10 en 20 € per ton CO2, bedraagt de kostprijs voor het dichten van de kloof tussen 160 miljoen en 320 miljoen € over de hele Kyotoperiode. En dit is een minimumschatting die alleen gehaald wordt wanneer alle ander maatregelen effectief ten volle gerealiseerd worden.
Het plan spuit veel mist over wiè deze kost zal dragen. Er wordt wel gemeld dat de Vlaamse overheid reeds budgetten heeft uitgetrokken. Onder meer de opbrengst van de verkoop van participaties van de GIMV is vrijgemaakt. Zo wordt, jammer genoeg, belastingsgeld dat oorspronkelijk bestemd was om de economie in Vlaanderen te ontwikkelen, de facto in het buitenland ingezet.
Meer in het algemeen klagen we de sluipende besluitvorming aan over deze kwestie. Voor ons is het immers geen evidente zaak dat de financiering van de flex mex volledig ten laste van de belastingbetaler zou vallen.We eisen dat hierover minstens een debat wordt gevoerd. En we verwijzen naar de federale context, waar de aankoop van emissierechten gefinancierd wordt via het Kyotofonds, dus met de opbrengsten van een heffing op elektriciteit.
Enkele inhoudelijke aandachtspunten :
• Energie-efficiëntie voor woningen behoeft grote sprong voorwaarts
Vele studies wijzen er op dat het potentieel voor energieverbetering in woningen enorm is. Bovendien zijn de sociale voordelen voor de bewoners groot (comfort en kostenverlaging), en is er een groot tewerkstellingspotentieel. Vanuit deze overwegingen beijveren we het uitwerken van een masterplan voor de energierenovatie van woningen en andere gebouwen. Dit concrete voorstel werd niet in het plan hernomen. Men beperkt zich tot punctuele maatregelen (premies, normen, …) die grotendeels reeds bestaan. De te zwakke invulling van dit thema blijft voor ons dus een groot knelpunt.
• Maatregelen tav. de industrie evalueren
Het plan neemt de bestaande instrumenten ten aanzien van de industrie onverkort over. Dit is logisch : én het benchmarkingconvenant, en het nieuwe auditconvenant binden de overheid contractueel met de deelnemende bedrijven, en beiden bepalen dat de overheid gedurende de looptijd geen bijkomende maatregelen zal opleggen, en op basis van de convenanten aan de industrie gratis emissierechten zal verstrekken . Met deze instrumenten worden echter bijna het hele energieverbruik en ook het grootste deel van de CO2-emissies van de industrie afgedekt, en zo’n 40 % van de emissies die Vlaanderen in het totaal mag uitstoten. Ze zijn dus een aanzienlijke voorafname op de verdeling van de inspanningen over alle sectoren. We hebben de voorbije maanden een aantal tekortkomingen vastgesteld aan het benchmarkingconvenant. De verwachte inspanningen worden niet overal gerealiseerd; er is méér potentieel in de industrie aanwezig. En we hebben de gebrekkige transparantie aangeklaagd (zie ook eerdere Bureaunota’s). Onze kritieken terzake blijven ook in de beoordeling van voorliggend plan doorwerken.
• Flexibele mechanismen : voorwaardenkader en selectiekader uitwerken
Niet alleen de financiering van flex mex vergt een debat, ook de vraag welke types flex mex zullen ingezet worden is belangrijk. Een vaste voorkeursrangschikking tussen de mogelijke inzetbare flexibele instrumenten maken we niet, maar we hebben in elk geval een duidelijke voorkeur voor CDM-projecten in ontwikkelingslanden, mits die ook expliciet aan de lokale bevolking ten goede komen. Flex mex die enkel boekhoudkundig resultaat opleveren (vb hot air) zijn niet wenselijk. Twee aandachtspunten zijn in elk geval essentieel :
of er nu gewerkt wordt met projecten of via (internationale) fondsen, er moeten sociale en ecologische criteria gerespecteerd worden. De prijs van de rechten is dus maar één van de criteria bij de selectie;
er moet werk gemaakt worden van een bundeling van initiatieven inzake CDM, minstens op Belgisch en liefst op Europees vlak.
• Aanpak lange termijn energietransitie dringend invullen
Energiebesparing alleen zal op lange termijn niet volstaan. Vlaanderen moet dringend (mee)werken aan de ontwikkeling van nieuwe energieproductiesystemen. Fotovoltaics, brandstofcellen, clean coal edm. moeten op de Vlaamse innovatie-agenda komen. We vroegen dat in de klimaatconferentie, om te beginnen via een innovatieplatform energie. We moeten echter betreuren dat het plan geen lange termijnstrategie voor energie-innovatie heeft opgenomen.
• Tenslotte : wat na 2012 ?
Het Kyoto-protocol loopt tot 2012. Op internationaal vlak is het overleg over een vervolg reeds gestart : over de grootte van de inspanningen, de rol van de nieuwe economieën en de ontwikkelingslanden, enzovoort.
Wij vinden dat ook het Vlaams beleidsniveau zijn rol moet opnemen in een ambitieus internationaal vervolgbeleid na Kyoto.
Vlaanderen moet ook zèlf het eigen klimaatbeleid ambitieus verder zetten na 2012, om meerdere redenen :
op het internationale forum kan pas vooruitgang geboekt worden als de geïndustrialiseerde landen duidelijke inspanningen (blijven) doen;
een ambitieus Vlaams klimaatbeleid helpt niet enkel het globale klimaatprobleem aanpakken, maar betekent ook een blijvende motor tot modernisering van onze economie en onze woningen.
Contact
- Caroline Copers - Algemeen Secretaris - 02 506 82 06